Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Rv

Huidige tekst

Artikel 282a Rv

Geldt sinds 1 april 2013

  1. 1

    Voor zover bij of krachtens deze wet of een andere wet niet anders is bepaald, houdt de rechter de zaak aan zolang de verzoeker en de belanghebbende het griffierecht niet hebben voldaan en de termijn genoemd in artikel 3, vierde lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken nog loopt.

  2. 2

    Heeft de verzoeker het verschuldigde griffierecht niet tijdig voldaan, dan verklaart de rechter de verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek. Voordat de rechter hiertoe overgaat, stelt hij de verzoeker in de gelegenheid zich uit te laten over het niet tijdig voldoen van het verschuldigde griffierecht.

  3. 3

    Heeft de belanghebbende het verschuldigde griffierecht niet tijdig voldaan, dan betrekt de rechter het ingediende verweerschrift niet bij zijn beslissing op het verzoek. Voordat de rechter hiertoe overgaat, stelt hij de belanghebbende in de gelegenheid zich uit te laten over het niet tijdig voldoen van het verschuldigde griffierecht.

  4. 4

    De rechter laat het eerste lid, tweede lid, eerste volzin, en derde lid, eerste volzin geheel of ten dele buiten toepassing, indien hij van oordeel is dat de toepassing van die bepalingen gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

  5. 5

    Tegen beslissingen ingevolge het tweede, derde of vierde lid staat geen hogere voorziening open.

  6. 6

    Het eerste tot en met vijfde lid is niet van toepassing in zaken bij de voorzieningenrechter.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2021:748Parket bij de Hoge Raad, 2 juli 2021 (verbintenissenrecht)

    Caribische zaak. Verbintenissenrecht. Beëindiging van engagement letter. Verschuldigdheid boete. Ongedaanmakingsvordering ingesteld bij (schriftelijk) pleidooi.

  • ECLI:NL:PHR:2019:957Parket bij de Hoge Raad, 27 september 2019 (internationaal privaatrecht)

    Huwelijksvermogensrecht. IPR. Recht dat van toepassing is op grond van Huwelijksvermogensverdrag. Verhouding van onaanvaardbaarheidsexceptie van art. 10:9 BW tot Huwelijksvermogensverdrag.

  • ECLI:NL:HR:2017:1013Hoge Raad, 2 juni 2017 (civiel recht)

    Griffierecht. Te late betaling; beroep op ‘hardheidsclausule’; art. 282a lid 4 in verbinding met art. 427b Rv.

  • ECLI:NL:HR:2014:2816Hoge Raad, 26 september 2014 (civiel recht)

    Internationaal privaatrecht. Procesrecht. Verzoek tot uitvoerbaarverklaring civielrechtelijke veroordeling in vonnis van Belgische strafrechter. Begrip ‘burgerlijke of handelszaak’ in art. 1…

  • ECLI:NL:RBROT:2026:12570Rechtbank Rotterdam, 17 september 2026 (civiel recht)

    Beschikking. Verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek vanwege het niet-betalen van het griffierecht.

  • ECLI:NL:OGHACMB:2026:263Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 15 september 2026 (civiel recht)

    Aruba. Arbeid. In appel vernietiging OSV gehandhaafd, wel verdere matiging loondoorbetalingsverplichting.

  • ECLI:NL:GHAMS:2026:1926Gerechtshof Amsterdam, 14 juli 2026 (personen- en familierecht)

    “Opheffing bewind. De wettelijke gronden voor het bewind waren ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig, maar zijn inmiddels niet meer aan de orde”.

  • ECLI:NL:RBZWB:2025:6325Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17 september 2025 (civiel recht)

    Verzoekster heeft het griffierecht niet tijdig betaald en wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 3 lid 2 jo lid 4 Wgbz en 282a lid 2 Rv.

144 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.