Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Rv

Huidige tekst

Artikel 237 Rv

Veroordeling in de proceskosten redactionele omschrijving

Geldt sinds 14 juli 2026

  1. 1

    De partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, wordt in de kosten veroordeeld. De kosten mogen echter geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd tussen echtgenoten of geregistreerde partners of andere levensgezellen, bloedverwanten in de rechte lijn, broers en zusters of aanverwanten in dezelfde graad, alsmede indien partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld. Ook kan de rechter de kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt, voor rekening laten van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte.

  2. 2

    Bij een tussenvonnis kan de beslissing over de kosten tot het eindvonnis worden aangehouden.

  3. 3

    Het bedrag van de kosten waarin de verliezende partij wordt veroordeeld, wordt, voor zover die kosten vóór de uitspraak zijn gemaakt en niet aan haar zijde zijn gevallen, bij het vonnis vastgesteld.

  4. 4

    De na de uitspraak ontstane kosten worden op verzoek van de partij in het voordeel van wie een kostenveroordeling is uitgesproken, begroot door de rechter die het vonnis heeft gewezen. Deze geeft daarvoor een bevelschrift af. Hiertegen is geen hogere voorziening toegelaten.

  5. 5

    De rechter kan bepalen dat het griffierecht tot betaling waarvan de partij, bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt veroordeeld, niet hoger is dan het griffierecht dat van deze partij is geheven of, in het geval dat deze partij gedaagde is in een zaak bij de kantonrechter en van haar geen griffierecht is geheven, het griffierecht dat deze partij verschuldigd zou zijn geweest als zij eiser was geweest. De rechter kan hiertoe besluiten indien hij van oordeel is dat veroordeling tot betaling van het hogere griffierecht, gelet op de proceshouding van de in het gelijk gestelde partij, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Hiertegen is geen hogere voorziening toegelaten.

  6. 6

    De eiser die in het ongelijk wordt gesteld in een geding als bedoeld in de Richtlijn (EU) 2024/1069 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende bescherming van bij publieke participatie betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht («strategische rechtszaken tegen publieke participatie»), wordt veroordeeld in de volledige kosten die de wederpartij heeft gemaakt, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzetten.

  7. 7

    Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing op zaken zonder grensoverschrijdende gevolgen als bedoeld in artikel 5 van de richtlijn, genoemd in het zesde lid.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2026:849Parket bij de Hoge Raad, 4 september 2026 (burgerlijk procesrecht)

    Burgerlijk procesrecht. Art. 843a Rv (oud)-inzageverzoek en tegenverzoeken. Terugkomen van Semtex-maatstaf (ECLI:NL:HR:2020:1251)? Voldaan aan Semtex-maatstaf? Bepaalde bescheiden? Getuigenverhoor…

  • ECLI:NL:PHR:2026:731Parket bij de Hoge Raad, 17 juli 2026 (verbintenissenrecht)

    Verbintenissenrecht. Onrechtmatige daad. Huwelijkse gevangenschap. Art. 1:68 lid 2 BW in verbinding met art. 6:162 BW. Vrouw vordert dat man wordt veroordeeld medewerking te verlenen aan…

  • ECLI:NL:PHR:2026:673Parket bij de Hoge Raad, 3 juli 2026 (civiel recht)

    Overheidsprivaatrecht. Wet Mulder (Wahv). Wettelijke verhogingen van verkeersboetes bij niet-tijdige betaling in strijd met art. 6 of 7 EVRM dan wel art. 1 EP EVRM? Gevolgen van die strijd.…

  • ECLI:NL:PHR:2026:682Parket bij de Hoge Raad, 3 juli 2026 (arbeidsrecht)

    Arbeidsrecht; ontbinding arbeidsovereenkomst in eerste aanleg op g-grond na reorganisatie; in hoger beroep toekenning billijke vergoeding (art. 7:671b lid 9, onder c, BW) wegens schending…

  • ECLI:NL:GHARL:2026:6777Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 oktober 2026 (civiel recht)

    Consumentenkoop. Tweedehandsauto. Bewijsvermoeden artikel 7:18a lid 2 BW. Geen reden voor uitzondering. Tegendeel onvoldoende onderbouwd. Ontbinding gegrond op artikel 7:22 lid 5 onder d BW.

  • ECLI:NL:RBROT:2026:13899Rechtbank Rotterdam, 16 oktober 2026 (verbintenissenrecht)

    Vordering onbetaalde factuur toegewezen. Gedaagde had eiseres, een incassobureau, ingeschakeld om een vordering op een debiteur te innen. Hoewel de rechtszaak tegen de debiteur werd gewonnen, bleek…

  • ECLI:NL:RBROT:2026:14097Rechtbank Rotterdam, 16 oktober 2026 (verbintenissenrecht)

    Geschil over facturen voor belastingadvieswerkzaamheden. Vraag of vooraf kosteninschatting had moeten worden gegeven en of onnodige werkzaamheden zijn verricht.

  • ECLI:NL:RBROT:2026:14353Rechtbank Rotterdam, 16 oktober 2026 (civiel recht)

    Consument zet opleiding tussentijds stop en moet deel van het opleidingsgeld betalen.

6.837 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.