Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Rv

Huidige tekst

Artikel 1019i Rv

Termijn voor bodemprocedure na voorlopige maatregel redactionele omschrijving

Geldt sinds 1 mei 2023

  1. 1

    Bij het treffen van een voorlopige voorziening bepaalt de voorzieningenrechter een redelijke termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak. De voorlopige voorziening verliest haar kracht wanneer een eis in de hoofdzaak niet binnen die termijn is ingesteld en de gedaagde een daartoe strekkende verklaring bij de griffie indient. Is de verklaring ingediend na het verstrijken van de gestelde termijn, dan verliest de voorlopige voorziening haar kracht met de indiening van de verklaring.

  2. 2

    Heeft de voorzieningenrechter geen termijn als bedoeld in het eerste lid gesteld, dan verliest de voorlopige voorziening haar werking door een verklaring als bedoeld in het eerste lid, wanneer na ten minste 31 dagen, waarvan ten minste 20 werkdagen, geen eis in de hoofdzaak is ingesteld.

  3. 3

    Bij een verklaring als bedoeld in het eerste lid wordt een afschrift overgelegd van het vonnis. Is daartegen een rechtsmiddel ingesteld, dan wordt dit in de verklaring vermeld. De gedaagde zendt zo spoedig mogelijk een afschrift van zijn verklaring aan de eiser.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2024:384Parket bij de Hoge Raad, 5 april 2024 (intellectueel-eigendomsrecht)

    Intellectuele eigendom; procesrecht. Auteursrecht, mededeling aan het publiek, art. 3 lid 1 Auteursrechtrichtlijn, geoblokkeringsmaatregelen, prejudiciële vragen Hof van Justitie EU.…

  • ECLI:NL:PHR:2023:596Parket bij de Hoge Raad, 16 juni 2023 (intellectueel-eigendomsrecht)

    Intellectueel eigendomsrecht. Merkenrecht. Kort geding. Art. 2.20 lid 2 sub d BVIE (gebruik anders dan ter onderscheiding van waren of diensten). Toetsing aan art. 2.23 lid 1 sub b en slot BVIE…

  • ECLI:NL:HR:2021:641Hoge Raad, 23 april 2021 (civiel recht)

    Merkenrecht. Uitputting van merkrechten; art. 13 lid 1 GMVo en art. 2.23 lid 3 BVIE; HvJEU 30 november 2004, ECLI:EU:C:2004:759 (Peak Holding). In de handel brengen. Verkoop in de EER door…

  • ECLI:NL:PHR:2021:244Parket bij de Hoge Raad, 12 maart 2021 (intellectueel-eigendomsrecht)

    Art. 81 lid 1 RO. Intellectuele eigendom. Merkenrecht (art. 10 lid 2, onder b en c, Richtlijn 2015/2436; art. 2.20 lid 2, onder b en c BVIE). Inbreuk op driestrepenmerk Adidas door gebruik van teken…

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:30863Rechtbank Den Haag, 19 oktober 2026 (intellectueel-eigendomsrecht)

    Kort geding. Merkinbreuk sub b. Merk is niet beschrijvend voor (een kenmerk van) de diensten waarvoor het merk is ingeschreven.

  • ECLI:NL:RBAMS:2026:9818Rechtbank Amsterdam, 1 oktober 2026 (intellectueel-eigendomsrecht)

    Kort Geding. Vordering tot staken merkinbreuk (en plaatsen rectifcatie en verstrekken gegevens) afgewezen. Merk van eiseres heeft een gering onderscheidend vermogen en er is onvoldoende gevaar voor…

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:28949Rechtbank Den Haag, 30 september 2026 (intellectueel-eigendomsrecht)

    Intellectueel eigendomsrecht, modelrecht. Eiser maakt pluche figuren van onder meer een honkbal, een tafeltennisbatje, en een taart. Gedaagde maakt eveneens dit soort figuren en beroept zich op het…

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:29403Rechtbank Den Haag, 15 september 2026 (intellectueel-eigendomsrecht)

    Ex parte verbod.

841 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.