Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Rotterdam, 16 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14097Zaaknummer 11707874 CV EXPL 25-12062
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 16 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- 11707874 CV EXPL 25-12062
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Geschil over facturen voor belastingadvieswerkzaamheden. Vraag of vooraf kosteninschatting had moeten worden gegeven en of onnodige werkzaamheden zijn verricht.
3 De beslissing in conventie en reconventie
De kantonrechter:
veroordeelt [bedrijf B] om aan [bedrijf A] te betalen € 21.055,60 met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 18.158,35 vanaf 12 mei 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt [bedrijf B] in de proceskosten, die aan de kant van [bedrijf A] worden begroot op € 3.025,85 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I. van Drongelen en in het openbaar uitgesproken.
68254
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11707874 CV EXPL 25-12062
datum uitspraak: 16 oktober 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[bedrijf A],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats],
eiseres in conventie, verweerder in reconventie,
gemachtigde: gerechtsdeurwaarderskantoor [naam gerechtsdeurwaarderskantoor],
tegen
[bedrijf B],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats],
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. P.F. Keuchenius.
De partijen worden hierna [bedrijf A] en [bedrijf B] genoemd.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- de dagvaarding van 12 mei 2025 met bijlagen;
- het antwoord met voorwaardelijke eis in reconventie, met bijlagen;
- de aanvullende bijlage van [bedrijf B];
- de aanvullende bijlagen van [bedrijf A];
- de aanvullende bijlage die [bedrijf A] op de zitting heeft verstrekt.
Op 14 september 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: namens [bedrijf A] de heer [person A], mevrouw [persoon B] (directeur [bedrijf A]) en mevrouw [persoon C] (werknemer van [bedrijf A]) en namens [bedrijf B] mr. P.F. Keuchenius, de heer [persoon D] (directeur [bedrijf B]) en mevrouw [persoons E] (werknemer van [bedrijf B] ).
2 De beoordeling in conventie en in reconventie
De zaak in het kort
[bedrijf A] heeft in de periode januari tot en met oktober 2024 de boekhouding en belastingaangifte gedaan voor [bedrijf B]. [bedrijf A] heeft daarvoor facturen gestuurd. [bedrijf B] heeft een deel van deze facturen niet betaald. [bedrijf A] vordert in deze procedure betaling van het nog openstaande bedrag van € 18.158,35 met rente en incassokosten van € 956,58. [bedrijf B] is het hier niet mee eens. Volgens [bedrijf B] is sprake van wanprestatie aan de zijde van [bedrijf A] en hoeft zij het openstaande bedrag daarom niet te betalen. [bedrijf B] heeft een voorwaardelijke tegeneis ingesteld waarbij zij gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst vordert en schadevergoeding ter hoogte van de niet betaalde factuurbedragen.
De kantonrechter oordeelt dat [bedrijf B] de nog openstaande facturen moet betalen met rente en kosten. De tegeneis van [bedrijf B] wordt afgewezen. Dit wordt hierna toegelicht.
Wat is er gebeurd?
[bedrijf A] en [bedrijf B] hebben eind september 2023 met elkaar gesproken over een mogelijke samenwerking. [bedrijf B] gaf daarbij aan niet tevreden te zijn over haar toenmalige boekhouder. Partijen hebben afgesproken dat [bedrijf A] de boekhouding zou overnemen vanaf 4 oktober 2023 met als startpunt de jaarrekening 2022. [bedrijf A] heeft de afspraken vastgelegd in een opdrachtbevestiging die [bedrijf B] op 18 december 2023 voor akkoord heeft ondertekend. In de opdrachtbevestiging is vermeld dat facturering in beginsel maandelijks plaatsvindt en dat betaling binnen veertien dagen na dagtekening van de factuur moet gebeuren. Ook is vermeld dat bij de declaratie een specificatie wordt gevoegd met een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de werkzaamheden, de persoon die de werkzaamheden heeft verricht, de bestede tijd, het gehanteerde tarief en de voor die werkzaamheden berekende kosten.
[bedrijf B] liet bij haar oude boekhouder de administratie verwerken met een ander softwareprogramma dan waar [bedrijf A] mee werkt. [bedrijf A] heeft [bedrijf B] de keuze gegeven om te blijven werken met dat systeem of over te stappen naar het softwareprogramma van [bedrijf A]. [bedrijf B] heeft voor dit laatste gekozen en heeft [bedrijf A] daarbij verzocht een aantal aanpassingen door te voeren in het programma. [bedrijf A] heeft de aanpassingen doorgevoerd en de in- en verkoopfacturen van [bedrijf B] over de jaren 2022 en 2023 ingevoerd.
[bedrijf A] heeft op 30 januari 2024 een eerste factuur verstuurd aan [bedrijf B] en [bedrijf B] heeft deze factuur betaald. Tegen de tweede factuur van 28 maart 2024 van € 23.163,64 heeft [bedrijf B] bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft [bedrijf B] een deel van de factuur, in totaal € 12.000,00, betaald. Tegen de derde factuur van 28 mei 2024 van € 5.5991,62 heeft [bedrijf B] ook bezwaar gemaakt. Zij heeft daarbij aan [bedrijf A] laten weten dat zij eerst meer duidelijkheid wilde en er zaken opgeleverd moesten worden voordat zij iets zou betalen.
Partijen hebben op 18 september 2024 overleg gevoerd. Daarna zou er nog een vervolggesprek plaatsvinden, maar dat gesprek is er niet gekomen. [bedrijf A] heeft de opdracht bij brief van 3 februari 2025 beëindigd en [bedrijf B] verzocht het openstaande bedrag te voldoen. Daarop heeft [bedrijf B] nog een deel van de facturen betaald. Volgens [bedrijf A] bleef er in totaal een bedrag van € 18.158,35 openstaan.
[bedrijf B] moet het openstaande bedrag van € 18.158,35 betalen
[bedrijf B] stelt dat zij het openstaande bedrag niet hoeft te betalen omdat [bedrijf A] vooraf niet heeft aangegeven wat [bedrijf B] zou moeten betalen voor de diensten van [bedrijf A]. Volgens [bedrijf B] is [bedrijf A] op grond van de beroepsregels voor Register Belastingadviseurs verplicht de honorering vooraf voldoende te bespreken en had zij ook toegezegd een kosteninschatting te geven. Daarnaast stelt [bedrijf B] dat [bedrijf A] overbodige werkzaamheden heeft verricht en buitensporig heeft gedeclareerd. Volgens [bedrijf B] is [bedrijf A] daarmee tekortgeschoten in de uitvoering van de opdracht. De kantonrechter oordeelt dat dit verweer niet slaagt en overweegt daartoe als volgt.
[bedrijf A] heeft als professionele opdrachtnemer recht op loon voor de werkzaamheden die zij in opdracht van [bedrijf B] heeft verricht. Als de hoogte van het loon niet is bepaald wordt het loon op de gebruikelijke wijze berekend (artikel 7:405 lid 1 en 2 BW). Daarnaast is van belang dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de wanprestatie op [bedrijf B] rusten, omdat zij zich beroept op de rechtsgevolgen daarvan (artikel 150 Rv).
In de opdrachtbevestiging is vastgelegd dat in beginsel maandelijks wordt gefactureerd op basis van bestede tijd en het gehanteerde uurtarief. [bedrijf A] heeft aangevoerd dat zij niet standaard een kosteninschatting geeft en heeft betwist dat zij heeft toegezegd voorafgaand aan de werkzaamheden een kosteninschatting te geven. [bedrijf B] heeft geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat dit wel is toegezegd. Daardoor staat niet vast dat [bedrijf A] die toezegging heeft gedaan. Uit de beroepsregels voor register belastingadviseurs volgt ook niet dat een kosteninschatting moet worden gegeven. [bedrijf B] wijst in dit verband op artikel 12 Reglement Beroepsuitoefening Register Belastingadviseurs, maar hierin staat niet dat er vooraf een inschatting moet worden gegeven. Partijen hebben wel afgesproken bij de facturen een specificatie van de werkzaamheden te voegen. Dat heeft [bedrijf A] gedaan. Uit die specificatie blijkt welke uren door welke personen zijn gemaakt en wat daarvoor in rekening wordt gebracht. Ook is een omschrijving van de werkzaamheden opgenomen. Dat betekent dat het loon op de gebruikelijke manier is berekend en dat [bedrijf A] in dit opzicht niet is tekortgeschoten.
Partijen zijn het erover eens dat [bedrijf B] [bedrijf A] opdracht heeft gegeven om de boekhouding te verzorgen en belastingaangifte te doen. De kantonrechter kan niet vaststellen dat [bedrijf A] daarbij onnodige werkzaamheden heeft verricht. Volgens [bedrijf B] blijkt uit de verklaring van een voorgaande accountant van [bedrijf B] dat [bedrijf A] de facturen voor de webshop niet opnieuw had hoeven aanmaken en voor de uitgevoerde werkzaamheden niet meer dan € 12.000,00 inclusief BTW in rekening had hoeven brengen. Ook zijn volgens [bedrijf B] door ziekte van de heer [persoon E] teveel uren gemaakt door diens vervanger. [bedrijf A] heeft deze stellingen gemotiveerd betwist. Zij heeft aangevoerd dat er veel achterstand in de administratie moest worden weggewerkt en dat de overgang naar en de aanpassingen in het nieuwe softwareprogramma ook veel werk meebracht. In dat kader heeft zij een groot deel van de 15.000 door [bedrijf B] aangeleverde bestanden handmatig moeten filteren en daarna moeten controleren en invoeren. Daarbij heeft [bedrijf A] aangevoerd dat zij [bedrijf B] op 15 november 2023 nog expliciet via WhatsApp heeft voorgelegd dat het wellicht verstandiger was om te blijven bij het oude softwareprogramma en dat [bedrijf B] er toen toch voor heeft gekozen om over te stappen. [bedrijf B] heeft haar stellingen in dit licht onvoldoende onderbouwd. Een algemene verklaring van de voorgaande accountant is gelet op de concrete betwisting van [bedrijf A] niet genoeg. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [bedrijf A] recht heeft op loon voor de door haar verrichte werkzaamheden. [bedrijf B] heeft verder onvoldoende onderbouwd dat het in rekening gebrachte loon buitensporig hoog is. Van [bedrijf B] had in dat verband verwacht mogen worden dat ze aan de hand van de specificaties die bij de facturen zitten deze stelling concreet had gemaakt. Dit heeft ze niet gedaan. [bedrijf B] heeft verder ook niet uitgelegd waar haar stelling dat de ziekte van de heer [persoon E] tot dubbel werk heeft geleid op is gebaseerd. [bedrijf B] moet daarom het openstaande bedrag van € 18.158,35 betalen.
[bedrijf B] heeft op de zitting aangevoerd dat zij de factuur van 27 januari 2025 van € 560,53 tweemaal heeft betaald. De kantonrechter kan hiermee geen rekening houden, omdat [bedrijf B] dit niet met stukken heeft onderbouwd. Dit had zij wel moeten doen. Zij had dit immers niet in haar antwoord aangevoerd, waardoor [bedrijf A] op de zitting door deze stelling werd overvallen. [bedrijf A] heeft wel aangegeven te zullen nagaan of dit klopt. Als de betaling inderdaad dubbel is verricht, spreekt het voor zich dat dit bedrag nog in mindering moet worden gebracht op het door [bedrijf B] te betalen bedrag.
Het beroep van [bedrijf B] op verrekening gaat niet op.
[bedrijf B] heeft op zitting nog het verweer gevoerd dat de vordering van [bedrijf A] moet worden verrekend met de boetes die de Belastingdienst aan [bedrijf B] heeft opgelegd. Volgens [bedrijf B] gaat het om een bedrag van in totaal € 765,00 en heeft [bedrijf A] ook toegezegd dit bedrag te zullen crediteren. [bedrijf A] betwist dat de boetes het gevolg zijn van het handelen van [bedrijf A] en dat deze toezegging is gedaan. [bedrijf B] heeft haar stellingen niet onderbouwd. Zij heeft niet voldoende concreet uitgelegd waarom de boetes het gevolg zijn van nalatig handelen van [bedrijf A] en ze heeft ook geen stukken overgelegd ter onderbouwing. De gestelde toezegging blijkt verder uit niets. Daardoor staat niet vast dat [bedrijf B] een vordering heeft op [bedrijf A]. Zij kan dus geen beroep doen op verrekening.
De tegeneis van [bedrijf B] wordt afgewezen
De kantonrechter heeft hiervoor uitgelegd dat [bedrijf A] niet is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Dat betekent dat er geen grond bestaat voor gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst (artikel 6:265 BW) en ook niet voor schadevergoeding (artikel 6:74 BW). De tegeneis van [bedrijf B] wordt daarom afgewezen.
[bedrijf B] moet incassokosten van € 956,58 betalen
De door [bedrijf A] geëiste incassokosten van € 956,58 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
[bedrijf B] moet rente betalen
De wettelijke handelsrente wordt toegewezen, omdat [bedrijf A] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [bedrijf B] dat niet heeft betwist. Daarbij gaat het volgens [bedrijf A] tot 12 mei 2025 om € 1.940,67 aan vervallen rente. Dat betekent dat [bedrijf B] in totaal € 18.158,35 + € 956,58 + 1.940,67 = € 21.055,60 moet betalen aan [bedrijf A]. Daarnaast moet [bedrijf B] de rente vanaf 12 mei 2025 betalen totdat zij de hoofdsom volledig heeft betaald.
[bedrijf B] moet de proceskosten in conventie en in reconventie betalen
De proceskosten komen voor rekening van [bedrijf B], omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [bedrijf B] aan [bedrijf A] moet betalen in conventie op € 122,35 aan dagvaardingskosten, € 1.461,00 aan griffierecht, € 1.154,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 577,00) en € 288,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 3.025,85. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen. De proceskosten in reconventie worden begroot op nihil, omdat in reconventie geen aparte proceshandelingen zijn verricht.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [bedrijf A] dat eist en [bedrijf B] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3 De beslissing in conventie en reconventie
De kantonrechter:
veroordeelt [bedrijf B] om aan [bedrijf A] te betalen € 21.055,60 met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 18.158,35 vanaf 12 mei 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt [bedrijf B] in de proceskosten, die aan de kant van [bedrijf A] worden begroot op € 3.025,85 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I. van Drongelen en in het openbaar uitgesproken.
68254
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 7:405 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 150 Rv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:265 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:74 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:96 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 237 Rv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 233 Rv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:119a BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:119 BW meer uitspraken over dit artikel
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.