Burgerlijk Wetboek Boek 7

BW

Huidige tekst

Artikel 7:672 BW

Opzegtermijnen bij beëindiging arbeidsovereenkomst redactionele omschrijving

Geldt sinds 1 januari 2020

  1. 1

    Opzegging geschiedt tegen het einde van de maand, tenzij bij schriftelijke overeenkomst of door het gebruik een andere dag daarvoor is aangewezen.

  2. 2

    De door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging bedraagt bij een arbeidsovereenkomst die op de dag van opzegging: a.korter dan vijf jaar heeft geduurd: één maand; b.vijf jaar of langer, maar korter dan tien jaar heeft geduurd: twee maanden; c.tien jaar of langer, maar korter dan vijftien jaar heeft geduurd: drie maanden; d.vijftien jaar of langer heeft geduurd: vier maanden.

  3. 3

    In afwijking van lid 2 bedraagt de door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging één maand indien de werknemer de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd heeft bereikt.

  4. 4

    De door de werknemer in acht te nemen termijn van opzegging bedraagt één maand.

  5. 5

    Indien de omvang van de arbeid niet is vastgelegd, bedraagt de door de werknemer in acht te nemen termijn van opzegging, in afwijking van lid 4, de termijn, bedoeld in artikel 628a, leden 2 en 4, of vier dagen, indien het een functie betreft die is aangewezen op grond van artikel 628a, lid 11. Lid 1 is niet van toepassing.

  6. 6

    Indien de toestemming, bedoeld in artikel 671a, lid 1 of lid 2, is verleend, wordt de door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging verkort met de duur van de periode die aanvangt op de datum waarop het volledige verzoek om toestemming is ontvangen en eindigt op de datum van dagtekening van de beslissing op het verzoek om toestemming, met dien verstande dat een termijn van ten minste een maand resteert.

  7. 7

    De termijn, bedoeld in lid 2 of lid 3, kan slechts worden verkort bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan. De termijn kan schriftelijk worden verlengd.

  8. 8

    Van de termijn, bedoeld in lid 4, kan schriftelijk worden afgeweken. De termijn van opzegging voor de werknemer mag bij verlenging niet langer zijn dan zes maanden en voor de werkgever niet korter dan het dubbele van die voor de werknemer.

  9. 9

    Bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan, mag de termijn van opzegging, bedoeld in lid 8, tweede volzin, voor de werkgever worden verkort, mits de termijn niet korter is dan die voor de werknemer.

  10. 10

    Voor de toepassing van lid 2 worden arbeidsovereenkomsten geacht eenzelfde, niet onderbroken arbeidsovereenkomst te vormen in geval van herstel van de arbeidsovereenkomst ingevolge artikel 682 of artikel 683.

  11. 11

    De partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, is aan de wederpartij een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren.

  12. 12

    De kantonrechter kan de vergoeding, bedoeld in het lid 11, matigen indien hem dit met het oog op de omstandigheden billijk voorkomt, met dien verstande dat de vergoeding niet minder kan bedragen dan het in geld vastgestelde loon over de opzegtermijn, bedoeld in lid 2, noch minder dan het in geld vastgestelde loon voor drie maanden.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2026:984Parket bij de Hoge Raad, 9 oktober 2026 (arbeidsrecht)

    Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Arbeidsrecht. Bouwt een arbeidsongeschikte werknemer – anders dan artikel 7:634 lid 1 BW bepaalt –vakantiedagen tegen loonwaarde op tijdens een slapend…

  • ECLI:NL:PHR:2025:1019Parket bij de Hoge Raad, 19 september 2025 (arbeidsrecht)

    Arbeidsrecht. Billijke vergoeding van art. 7:671b lid 9, sub c, BW. Of en, zo ja, op welke wijze moet bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding de WW-uitkering die de voormalig…

  • ECLI:NL:PHR:2025:434Parket bij de Hoge Raad, 11 april 2025 (arbeidsrecht)

    Arbeidsrecht. Oproepovereenkomst. Rechtsvermoeden arbeidsomvang art. 7:610b BW; vastklikregeling art. 7:628a BW. Staat het afwijzen van een aanbod op grond van art 7:628a BW aan een beroep op het…

  • ECLI:NL:PHR:2025:356Parket bij de Hoge Raad, 21 maart 2025 (arbeidsrecht)

    Arbeidsrecht. Uitzendovereenkomst. Is sprake van misbruik zoals bedoeld in art. 5 lid 5 Richtlijn 2008/104/EG (Uitzendrichtlijn)? Heeft hof toetsingskader uit de arresten JH/KG (HvJEU 14 oktober…

  • ECLI:NL:RBAMS:2026:10336Rechtbank Amsterdam, 20 oktober 2026 (arbeidsrecht)

    Een werknemer met psychische beperkingen werkte bij een werkgever die personen met een afstand tot de arbeidsmarkt begeleidt. In mei 2025 verscheen zij zonder bericht niet op het werk en bleef daarna…

  • ECLI:NL:RBZWB:2026:9974Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 oktober 2026 (arbeidsrecht)

    In deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van diverse vergoedingen na een ontslag op staande voet door de werkgever. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat het ontslag niet…

  • ECLI:NL:RBLIM:2026:10492Rechtbank Limburg, 8 oktober 2026 (arbeidsrecht)

    Wwz. Werkneemster heeft berust in de beëindiging van het dienstverband. Ontslag op staande voet niet gerechtvaardigd. De verwijten die werkgever maakt aan het adres van werkneemster zijn niet met ter…

  • ECLI:NL:RBZWB:2026:9950Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 7 oktober 2026 (arbeidsrecht)

    Ontslag op staande voet. Vreemd gedrag van werknemer leidt tot tijdelijke schorsing. Nadat werknemer zijn werkzaamheden heeft hervat ontvangt werkgever e-mails van enkele collega’s waarin zij…

1.530 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.