Uitspraak · Arbeidsrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 7 oktober 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:9950Zaaknummer 12226719 \ AZ VERZ 26-60

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
7 oktober 2026
Publicatiedatum
23 oktober 2026
Zaaknummer
12226719 \ AZ VERZ 26-60
Rechtsgebied
Civiel recht, Arbeidsrecht
Procedure
Beschikking
Zittingsplaats
Tilburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet. Vreemd gedrag van werknemer leidt tot tijdelijke schorsing. Nadat werknemer zijn werkzaamheden heeft hervat ontvangt werkgever e-mails van enkele collega’s waarin zij schrijven zich door de aanwezigheid van werknemer niet veilig te voelen. Daarop volgt ontslag. De kantonrechter oordeelt dat dit niet rechtsgeldig is. Daarvoor is onvoldoende grond en het ontslag is ook niet onverwijld gegeven. Werknemer berust in het ontslag. De gevraagde gefixeerde schadevergoeding en de transitievergoeding worden toegewezen. Een billijke vergoeding niet.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verklaart voor recht dat er geen sprake is van een dringende reden voor het op

13 maart 2026 door [werkgever] gegeven ontslag;

5.2.

veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een gefixeerde schadevergoeding te betalen van € 8.686,58 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf

13 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;

5.3.

veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 9.203,52 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;

5.4.

veroordeelt [werkgever] om binnen 6 weken na aanschrijving daartoe aan [werknemer] een salarisspecificatie te verstrekken met betrekking tot de bij 5.2. vermelde gefixeerde schadevergoeding en de bij 5.3. vermelde transitievergoeding, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10,00 voor elke dag dat [werkgever] na het verstrijken van genoemde termijn in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen en tot een maximumbedrag van € 600,00;

5.5.

veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 986,00, te vermeerderen met de wettelijke rente[_61cff84a-146a-4813-bce5-bd2f956814ca] vanaf de vijftiende dag nadat zij tot betaling van die kosten is aangeschreven;

5.6.

verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;[_149d2870-55b8-4b09-a4a3-fd7916048604]

5.7.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Zander en is in het openbaar uitgesproken op

7 oktober 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek en het verweer
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Tilburg

Zaaknummer: 12226719 \ AZ VERZ 26-60

Beschikking van 7 oktober 2026

in de zaak van

[werknemer]

te [plaats]

verzoekende partij

hierna te noemen: [werknemer]

gemachtigde: [gemachtigde]

tegen

[werkgever] B.V.

te [plaats]

verwerende partij

hierna te noemen: [werkgever]

gemachtigde: mr. J.A.J. Hooymayers

De zaak in het kort

Verzoeker [werknemer] was werkzaam bij [werkgever]. Hij is op staande voet ontslagen. [werknemer] is het niet eens met dat ontslag, maar wil inmiddels niet meer voor [werkgever] werken. Omdat hij van mening is dat het ontslag onterecht was wil hij dat [werkgever] verschillende vergoedingen aan hem betaalt. De kantonrechter is het met [werknemer] eens dat het ontslag op staande voet niet terecht was. Als gevolg daarvan moet [werkgever] een zogeheten transitievergoeding en een vergoeding wegens onregelmatig opzegging van de arbeidsovereenkomst betalen. De eveneens gevraagde billijke vergoeding wordt echter afgewezen.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met 7 producties;

- het verweerschrift met 9 producties;

- productie 8 van [werknemer];

- de bij brief van 5 augustus 2026 door [werkgever] overgelegde usb-stick;

- de bij brief van 6 augustus 2026 door [werkgever] overgelegde verklaring;

- de bij brief van 10 augustus 2026 door [werkgever] overgelegde 2 verklaringen;

- de mondelinge behandeling op 18 augustus 2026.

2 De feiten

2.1.

[werknemer], die is geboren op [datum] 1990, is met ingang van 1 januari 2020 in dienst gekomen bij [werkgever]. Zijn functie was Warehouse operator 3. Zijn laatst-verdiende maandloon bedroeg € 3.406,50 bruto, inclusief vakantiebijslag en overige emolumenten.

2.2.

Voor dit dienstverband was [werknemer] van 5 februari 2018 tot 31 december 2019 in dienst van een uitzendbureau werkzaam bij [werkgever].

2.3.

Op 13 maart 2026 is [werknemer] op staande voet ontslagen.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[werknemer] verzoekt de kantonrechter om aan hem een billijke vergoeding toe te kennen en om [werkgever] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding. Daarnaast verlangt hij dat [werkgever] salarisspecificaties betreffende de betaling van die vergoedingen verstrekt en wil hij dat [werkgever] wordt veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en de kosten van deze procedure.

3.2.

Volgens [werknemer] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Hij stelt dat

[werkgever] buitengewoon ernstig heeft gehandeld. Op 5 maart 2026 heeft er een incident met een collega plaatsgevonden. [werkgever] heeft hem daarover gehoord en zijn excuses aanvaard. De schorsing die was opgelegd werd ingetrokken en op 9 maart 2026 is hij weer aan het werk gegaan. Zonder dat zich nieuwe incidenten hebben voorgedaan werd hij op

13 maart 2026 in verband met het eerdere voorval op staande voet ontslagen. Deze handel-wijze is niet zorgvuldig, niet consistent en niet proportioneel. De financiële gevolgen van het ontslag zijn aanzienlijk, aldus [werknemer].

3.3.

[werkgever] voert verweer en betoogt dat het verzoek moet worden afgewezen. Zij voert aan dat [werknemer] in het verleden al eens een schriftelijke waarschuwing heeft gehad. Toen is hem gezegd dat wanneer zich een vergelijkbare situatie zou voordoen of wanneer hij de regels uit de RAV/het bedrijfsreglement niet zou naleven, dat tot zwaardere disciplinaire maatregelen kon leiden. Op 5 maart 2026 hebben zich twee incidenten voorgedaan. [werknemer] is die dag geschorst. In een gesprek met zijn leidinggevende en een medewerker van de afdeling personeelszaken heeft [werknemer] erkend dat zijn gedrag op 5 maart 2026 ongepast was. Op 10 maart 2026 is hij weer aan het werk gegaan. De dag daarop ontving [werkgever] van drie collega’s e-mails waarin zij hun zorgen uitspraken over de veiligheid op de werkvloer nu [werknemer] weer aanwezig was. Nadat [werkgever] die verklaringen aan [werknemer] had voorgehouden, zijn reactie daarop andermaal slechts was dat hij de nacht voor het incident op 5 maart 2026 slecht had geslapen, en zij hem camerabeelden van het incident had getoond, zag [werkgever] zich genoodzaakt om [werknemer] op staande voet te ontslaan. Gelet op de verklaringen van meerdere collega’s kwam de veiligheid te zeer in het gedrang.

4 De beoordeling

4.1.

Wanneer een werknemer op staande voet wordt ontslagen kan hij zich tegen het ontslag verzetten of, zoals [werknemer] doet, daarin berusten zonder te erkennen dat het ontslag rechtsgeldig is gegeven. [werknemer] wil geen herstel van het dienstverband. Wel maakt hij aanspraak op diverse vergoedingen die volgens de wet in een situatie als deze aan de werknemer kunnen toekomen. Hieronder zullen de verschillende verzoeken van [werknemer] worden beoordeeld.

Verklaring voor recht

4.2.

[werknemer] vraagt allereerst een verklaring voor recht dat er geen sprake is van een dringende reden voor het [op] of omstreeks 13 maart 2026 door [werkgever] gegeven ontslag.

4.3.

De kantonrechter oordeelt dat het aan [werknemer] verleende ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.

4.4.

Een werkgever kan de arbeidsovereenkomst met een werknemer onverwijld opzeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de werknemer.[_8d8a7298-77a6-420c-9704-3b07dd5456d3] Voor die werkgever geldt als dringende reden om tot onverwijlde opzegging over te gaan, zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.[_a8ddd01f-d9de-4ed6-b851-30f6660c0ed9]

4.5.

De aanleiding voor het ontslag zijn drie voorvallen op 5 maart 2026 waarbij [werknemer] en twee collega’s betrokken waren. In de brief van [werkgever] aan [werknemer] van 13 maart 2026 waarin zij het op die dag gegeven ontslag op staande voet aan hem bevestigde worden die voorvallen als volgt beschreven. Op die 5e maart 2026 heeft [werknemer] de bureaulade van een van zijn collega’s geopend, daaruit desinfectiegel gepakt en heeft hij tegen die collega gezegd dat het niet is toegestaan om dergelijke middelen te bewaren. Later die dag heeft [werknemer] diezelfde collega ervan beschuldigd dat hij onder invloed van alcohol zou zijn, heeft hij de collega bij zijn arm gepakt en hem in de richting van het kantoor getrokken. Ook is [werknemer] die dag dicht bij een andere collega gaan staan terwijl die rijdend materieel bestuurde en heeft hij tegen die collega gezegd dat hij afstand moest bewaren.

4.6.

Deze gedragingen, een eerder incident en de door collega’s uitgesproken gevoelens van onveiligheid zijn dringende redenen voor het ontslag op staande voet, aldus [werkgever] in de ontslagbrief van 13 maart 2026. Naar het oordeel van de kantonrechter betekenen die gronden voor het ontslag op staande voet niet dat het ontslag rechtsgeldig is. Daarvoor worden niet alleen de opgegeven gronden onvoldoende bevonden voor zo’n verstrekkende sanctie als een ontslag op staande voet maar acht de kantonrechter het ontslag ook niet onverwijld gegeven.

4.7.

In de ontslagbrief van [werkgever] is als eerste gewag gemaakt van een incident op

21 november 2025 waarvoor [werknemer] een officiële waarschuwing heeft gekregen. Destijds zou hem zijn gezegd dat wanneer zich opnieuw een vergelijkbare situatie voordoet of de regels uit de RAV en/of het bedrijfsreglement niet zouden worden nageleefd, dit tot zwaardere disciplinaire maatregelen zou kunnen leiden. Het betreffende incident betrof het uitdelen en consumeren van zoetwaren van een klant van [werkgever]. [werknemer] is daarvoor geschorst. Geoordeeld wordt dat, wat er ook zij van de gedraging van [werknemer] destijds, in de ontslagbrief, noch in de processtukken door [werkgever] wordt aangevoerd dat [werknemer] ’ gedragingen op 5 maart 2026 vergelijkbaar zijn met zijn handelen op

21 november 2025 en hij daarmee de regels uit de RAV en/of het bedrijfsreglement heeft geschonden. En voor zover daar in de ontslagbrief met “de binnen [werkgever] geldende gedragsregels” naar wordt verwezen heeft [werkgever] niet duidelijk gemaakt welke regel(s) zij bedoelt. Dit gedrag, waarvoor eerder al een disciplinaire maatregel is genomen, kan daarom niet bijdragen aan de dringende reden voor het ontslag op staande voet.

4.8.

Het gedrag van [werknemer] op 5 maart 2026 kan beslist bevreemdend en intimiderend genoemd worden, het is echter onvoldoende ernstig om als dringende reden aan een ontslag op staande ten grondslag te leggen. Niet gesteld of gebleken is dat [werknemer] verbaal of fysiek agressief was of dat hij collega’s heeft bedreigd of mishandeld. Uit het beeldmateriaal dat is overgelegd blijkt ook niet dat [werknemer] zijn collega met kracht heeft meegesleurd naar het kantoor.

Aanvankelijk leek ook [werkgever] in de gedragingen van [werknemer] geen dringende reden voor een onmiddellijk ontslag te zien. [werknemer] is op 5 maart 2026 naar huis gestuurd en kon na een gesprek op 9 maart 2026 weer gewoon aan het werk gaan. Dit duidt er niet op dat [werkgever] het gedrag van [werknemer] zodanig ernstig vond dat het een dringende reden voor ontslag opleverde. [werkgever] is pas een aantal dagen later tot die conclusie gekomen, nadat zij e-mails van werknemers had ontvangen die schreven dat zij zich met [werknemer] op de werkvloer onveilig voelden.

4.9.

Het ontslag dat [werkgever] naar aanleiding van die e-mails alsnog heeft verleend, acht dagen na de gebeurtenissen op 5 maart 2026 en nadat [werknemer] door [werkgever] werd gehoord en hij vervolgens weer zijn werkzaamheden mocht hervatten, voldoet niet aan het vereiste dat een ontslag op staande voet onverwijld wordt verleend.

4.10.

Dit betekent dat de verzochte verklaring voor recht kan worden uitgesproken, met dien verstande dat daarin er rekening mee wordt gehouden dat het ontslag op, en niet mogelijk ook omstreeks de betreffende datum werd gegeven.

Billijke vergoeding

4.11.

De kantonrechter kan op het verzoek van een werknemer aan hem ten laste van de werkgever een billijke vergoeding toekennen in het geval dat de werkgever de arbeids-overeenkomst heeft opgezegd zonder dat daarvoor een dringende reden bestond.[_583f5e39-b350-48be-a4aa-f8ca39787b82] [werknemer] vraagt om aan hem een billijke vergoeding van € 20.439,02 bruto toe te kennen. Dat bedrag komt overeen met zes maandsalarissen. Dit verzoek wordt echter afgewezen.

4.12.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de werkgever ernstig verwijtbaar handelt wanneer zoals in dit geval, hij de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzegt omdat er geen sprake is van een dringende reden daarvoor en/of de opzegging wegens een dringende reden niet onverwijld is meegedeeld.[_d835000c-84f4-4847-a326-61c626a60664] Echter, een eventuele billijke vergoeding moet - naar haar aard - in relatie staan tot het ernstig verwijtbare handelen van de werkgever. Bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding komt het verder aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval.[_5af12c4c-425e-41ee-9e0c-8c2dd13f18a6]

4.13.

Overwogen wordt dat weliswaar het ontslag niet rechtsgeldig is en [werkgever] dus verwijtbaar heeft gehandeld, de beëindiging van de arbeidsovereenkomst vond zijn oorzaak in het bevreemdende gedrag van [werknemer]. Die heeft daarmee verschillende collega’s zodanig angst aangejaagd dat zij direct na zijn terugkeer op de werkvloer aan [werkgever] hebben laten weten zich niet meer veilig te voelen. [werknemer] heeft nooit een verklaring voor zijn gedrag gegeven, behalve dat hij slecht had geslapen omdat het volle maan was. Door zich te gedragen zoals hij heeft gedaan en daarvoor geen, althans geen genoegzame verklaring te geven heeft [werknemer] zelf bijgedragen aan de beëindiging van het dienstverband.

4.14.

De door [werknemer] gevraagde vergoeding is onder andere gebaseerd op het directe verlies aan inkomen, het risico dat het ontslag op staande voet negatieve gevolgen heeft voor zijn aanspraak op een WW-uitkering en zijn positie op de arbeidsmarkt. Die factoren zijn echter niet meer aan de orde. Voor wat betreft de gevolgen van het ontslag geldt dat [werknemer] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij vanaf begin april 2026 elders werkzaam is op basis van een fase A-uitzendovereenkomst tegen een brutoloon van

€ 2.200,00 per maand. Hoewel het dus vooralsnog geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is zoals [werknemer] bij [werkgever] had en het loon dat hij nu verdient beduidend lager is, is niet gezegd dat hij niet binnen afzienbare termijn weer in vaste dienst en tegen een hoger loon werkzaam zal zijn.

Verder geldt dat bij de vergelijking tussen de situatie dat [werknemer] nog bij [werkgever] in dienst zou zijn en de situatie waarin hij zich thans bevindt, althans ten tijde van de indiening van zijn verzoekschrift bevond, eveneens de aan hem toekomende, hierna nog te bespreken transitievergoeding moet worden betrokken.

Gefixeerde schadevergoeding

4.15.

[werknemer] vraagt tevens om [werkgever] te veroordelen tot betaling aan hem van een gefixeerde schadevergoeding ter grootte van € 8.686,58 bruto. [werkgever] voert hiertegen geen ander verweer dan dat een dergelijke vergoeding niet aan de orde is omdat van een onregelmatige opzegging geen sprake is.

4.16.

Uit hetgeen hierboven is overwogen volgt dat [werkgever] in dat verweer niet zal worden gevolgd. Nu [werkgever] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt is zij aan [werknemer] een vergoeding verschuldigd die gelijk is aan de termijn dat de arbeidsovereenkomst gewoonlijk had voortgeduurd.[_b5fabc8a-8302-4d0d-8928-913a49c8a21f] Dat is circa twee en een halve maand. Het door [werknemer] voor die periode berekende bedrag zal dan ook worden toegewezen.

4.17.

Op het verzoek van [werknemer] wordt de wettelijke rente over dat bedrag toegewezen, en wel vanaf 13 maart 2026.[_e8c053ba-0cd3-49e4-bafb-9b17cc36946f]

Transitievergoeding

4.18.

Het verzoek om [werkgever] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen. Uit de wet volgt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is indien de arbeidsovereenkomst door de werkgever is opgezegd.[_e5af29ca-f7c0-4925-a34a-9373dfa598ef] Dat is hier het geval. Een uitzondering op grond waarvan de transitievergoeding niet verschuldigd is doet zich hier niet voor. Het gedrag van [werknemer] is dan wel aan te merken als ‘bevreemdend’, maar kwalificeert niet als ernstig verwijtbaar handelen in de zin van de wet. [_d1968947-2432-477f-959c-78604a42add8]

4.19.

De toe te wijzen transitievergoeding bedraagt 1/3e deel van [werknemer] ’ maandloon voor ieder jaar dat hij bij [werkgever] in dienst is geweest plus een evenredig deel daarvan dat de arbeidsovereenkomst korter dan een jaar heeft geduurd.[_baf4e48d-b9d2-49be-bf2a-149872510650] Bij de duur van het dienstverband kan worden opgeteld de tijd dat [werknemer] in dienst van een uitzendbureau bij [werkgever] heeft gewerkt.[_56a385e2-7ed7-4650-9d82-82b0bbb39cb7] Met inachtneming daarvan hanteert [werknemer] in zijn berekening van de transitievergoeding 5 februari 2018 als aanvangsdatum van zijn werkzaamheden bij [werkgever]. Die voert daartegen geen verweer, zodat voor de berekening van de transitievergoeding die datum als juist wordt aanvaard. En waar ook de door [werknemer] genoemde hoogte van loon door [werkgever] als juist wordt erkend wordt [werknemer] gevolgd in de door hem berekende transitievergoeding van in totaal € 9.203,52 bruto.

4.20.

De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 14 april 2026.[_6b670f5b-1eb7-43f7-a73e-d6792f91a80a]

Salarisspecificaties

4.21.

Het verzoek om een salarisspecificatie (bruto/netto-specificatie) betreffende de gevorderde nabetalingen aan [werknemer] af te geven zal worden toegewezen voor zover het betreft de gefixeerde schadevergoeding en de transitievergoeding.

4.22.

[werkgever] zal wel een iets ruimere termijn dan de verzochte twee weken worden gegund om die specificatie aan [werknemer] te verstrekken. Niet uitgesloten is namelijk dat haar administratie hiervoor meer tijd nodig heeft. De aan de veroordeling verbonden dwangsom wordt bepaald op € 10,00 voor elke dag dat [werkgever] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet, gemaximeerd tot € 600,00.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.23.

[werkgever] is geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassowerkzaamheden verschuldigd. Op dezelfde dag dat [werknemer] zijn verzoekschrift naar de rechtbank stuurde heeft hij een sommatiebrief met daarin zijn geldvorderingen aan [werkgever] verzonden. Dat er voorafgaande aan deze procedure door hem werkzaamheden zijn verricht of kosten zijn gemaakt om buiten rechte voldoening van zijn vorderingen te verkrijgen[_c7fade0e-e9e3-4d3b-b2b0-7d24980497b3] is niet gebleken.

Proceskosten

4.24.

De proceskosten komen voor rekening van [werkgever], omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 986,00 (€ 265,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).

4.25.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verklaart voor recht dat er geen sprake is van een dringende reden voor het op

13 maart 2026 door [werkgever] gegeven ontslag;

5.2.

veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een gefixeerde schadevergoeding te betalen van € 8.686,58 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf

13 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;

5.3.

veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 9.203,52 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;

5.4.

veroordeelt [werkgever] om binnen 6 weken na aanschrijving daartoe aan [werknemer] een salarisspecificatie te verstrekken met betrekking tot de bij 5.2. vermelde gefixeerde schadevergoeding en de bij 5.3. vermelde transitievergoeding, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10,00 voor elke dag dat [werkgever] na het verstrijken van genoemde termijn in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen en tot een maximumbedrag van € 600,00;

5.5.

veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 986,00, te vermeerderen met de wettelijke rente[_61cff84a-146a-4813-bce5-bd2f956814ca] vanaf de vijftiende dag nadat zij tot betaling van die kosten is aangeschreven;

5.6.

verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;[_149d2870-55b8-4b09-a4a3-fd7916048604]

5.7.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Zander en is in het openbaar uitgesproken op

7 oktober 2026.

Voetnoten

  1. Artikel 7:677 lid 1 BW.
  2. Artikel 7:678 lid 1 BW.
  3. Artikel 7:681 lid 1, onder a BW, in verbinding met artikelen 7:671 lid 1, onder c BW en 7:677 lid 1 BW.
  4. Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, p. 99 en 113.
  5. Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle).
  6. Artikel 7:672 lid 11 BW.
  7. Artikel 7:686a lid 1 BW.
  8. Artikel 7:673 lid 1, onder a, 1º BW.
  9. Artikel 7:673 lid 7, onder c BW.
  10. Artikel 7:673 lid 2 BW.
  11. Artikel 7:673 lid 4, aanhef en onder b BW.
  12. Artikel 7:686a lid 1 BW.
  13. Artikel 6:96 BW.
  14. Artikel 6:119 BW.
  15. Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook wanneer eventueel in hoger beroep wordt gegaan.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.