Burgerlijk Wetboek Boek 7

BW

Huidige tekst

Artikel 7:296 BW

Opzeggingsgronden voor de verhuurder van bedrijfsruimte redactionele omschrijving

Geldt sinds 1 januari 2024

  1. 1

    Indien de opzegging is gedaan tegen het einde van de in artikel 292 lid 1 bedoelde eerste termijn waarvoor de huurovereenkomst geldt of is aangegaan, kan de rechter de vordering slechts toewijzen, op de grond dat: a.de bedrijfsvoering van de huurder niet is geweest zoals een goed huurder betaamt, of b.de verhuurder aannemelijk maakt dat hij, zijn echtgenoot, zijn geregistreerde partner, een bloed- of aanverwant in de eerste graad of een pleegkind het verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik wil nemen en hij daartoe het verhuurde dringend nodig heeft. Onder duurzaam gebruik wordt niet begrepen vervreemding van de bedrijfsruimte, maar wel renovatie van de bedrijfsruimte die zonder beëindiging van de huur niet mogelijk is.

  2. 2

    Een vordering, ingesteld op de in lid 1 onder b bedoelde grond, is niet toewijsbaar indien de verhuurder de rechtsopvolger is van een vorige verhuurder en hij niet is diens echtgenoot, geregistreerde partner, bloed- of aanverwant in de eerste graad of pleegkind, en de opzegging is geschied binnen drie jaar nadat de rechtopvolging schriftelijk ter kennis van de huurder is gebracht. Onder pleegkind wordt verstaan degene die duurzaam als eigen kind is verzorgd en opgevoed.

  3. 3

    Indien de opzegging is gedaan tegen het einde van de termijn waarmee de overeenkomst krachtens artikel 292 lid 2 is verlengd, kan de rechter de vordering toewijzen, op grond van een redelijke afweging van de belangen van de verhuurder bij beëindiging van de overeenkomst tegen die van de huurder en van de onderhuurder aan wie bevoegdelijk is onderverhuurd, bij verlenging van de overeenkomst. De rechter wijst de vordering in elk geval af indien van de huurder, bij een redelijke afweging van de voormelde belangen van hem en van de onderhuurder aan wie bevoegdelijk is onderverhuurd, tegen de voormelde belangen van de verhuurder, niet kan worden gevergd dat hij het gehuurde ontruimt.

  4. 4

    In het geval van lid 3 wijst de rechter de vordering in ieder geval toe indien zich een der in lid 1, onder a en b, in samenhang met lid 2 omschreven gronden voordoet en voorts indien: c. de huurder niet toestemt in een redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe overeenkomst met betrekking tot het gehuurde, voor zover dit aanbod niet een wijziging van de huurprijs inhoudt, of d. de verhuurder een krachtens het geldende omgevingsplan aan het verhuurde toegedeelde functie wil verwezenlijken.

  5. 5

    Indien de rechter de vordering toewijst, stelt hij tevens het tijdstip van de ontruiming vast. De toewijzing geldt als een veroordeling tot ontruiming tegen dat tijdstip.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:HR:2026:1283Hoge Raad, 17 juli 2026 (verbintenissenrecht)

    Verbintenissenrecht. Huurrecht. Opzegging en beëindiging huur bedrijfsruimte. Schadevergoeding. Art. 7:299 lid 1 BW. Was wil aanwezig om gehuurde persoonlijk duurzaam in gebruik te nemen?

  • ECLI:NL:PHR:2026:28Parket bij de Hoge Raad, 9 januari 2026 (civiel recht)

    Huur van bedrijfsruimte. Vervolg op opzegging en beëindiging wegens eigen gebruik. Is bij de verhuurder de wil om het verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik te nemen in werkelijkheid niet aanwezig…

  • ECLI:NL:HR:2025:1962Hoge Raad, 19 december 2025 (verbintenissenrecht)

    Verbintenissenrecht. Huurrecht. Bedrijfsruimte (art. 7:290 BW). Kan het enkele belang om hogere huurprijs te verkrijgen, op grond van art. 7:296 lid 3 BW leiden tot beëindiging van huurovereenkomst…

  • ECLI:NL:PHR:2025:1404Parket bij de Hoge Raad, 19 december 2025 (verbintenissenrecht)

    Verbintenissenrecht; huurrecht bedrijfsruimte. Is dit onbemande tankstation een ‘gebouwde onroerende zaak’ in de zin van art. 7:230a BW en/of art. 7:290 BW? Toepassing van HR 14 april 2014…

  • ECLI:NL:RBROT:2026:11330Rechtbank Rotterdam, 4 september 2026 (verbintenissenrecht)

    Eindvonnis na bewijsopdracht. Verhuurder heeft aannemelijk gemaakt dat het rendement, de mogelijke verkoopopbrengst en het BAR stijgen met de omvorming van de ruimte tot woning. Alternatieve scenario…

  • ECLI:NL:RBOVE:2026:5383Rechtbank Overijssel, 25 augustus 2026 (civiel recht)

    Goedkeuring van een afwijkend huurbeding.

  • ECLI:NL:RBOBR:2026:5162Rechtbank Oost-Brabant, 23 juli 2026 (civiel recht)

    Vervolg op ECLI:NL:RBOBR:2025:349 na bewijsopdracht. Vordering tot vaststellen einde huurovereenkomst en ontruiming van verouderde bedrijfsruimte met woonhuis i.v.m. gewenste renovatie met…

  • ECLI:NL:RBAMS:2026:8333Rechtbank Amsterdam, 21 juli 2026 (civiel recht)

    Vordering tot ontruiming wegens dringend eigen gebruik wordt toegewezen, aan de belangenafweging wordt niet toegekomen. De verzochte verhuis- en inrichtingskosten worden afgewezen omdat huurder…

413 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.