Burgerlijk Wetboek Boek 7

BW

Huidige tekst

Artikel 7:252a BW

Geldt sinds 1 januari 2024

  1. 1

    Een verhuurder kan ten aanzien van woonruimte die een zelfstandige woning vormt een voorstel als bedoeld in artikel 252 doen, strekkend tot verhoging van de huurprijs op de grond dat het huishoudinkomen over het inkomenstoetsjaar: a.hoger is dan het op grond van artikel 10 lid 2 onder a onder 1 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte voor het huishouden van de huurder toepasselijke bedrag doch niet hoger is dan het op grond van dat lid onder a onder 3 voor het huishouden van de huurder toepasselijke bedrag, of b.hoger is dan het op grond van artikel 10 lid 2 onder a onder 3 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte voor het huishouden van de huurder toepasselijke bedrag.

  2. 2

    In dit artikel wordt verstaan onder: a.basisregistratie inkomen: basisregistratie inkomen als bedoeld in hoofdstuk IVA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; b.huishoudinkomen: het gezamenlijke bedrag van de inkomensgegevens, bedoeld in artikel 21 onderdeel e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, van de huurder en de overige bewoners van een woonruimte in het inkomenstoetsjaar, met dien verstande dat van een overige bewoner die op 1 januari van het jaar waarin de voorgestelde dag van ingang van de voorgestelde huurprijs is gelegen de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt het bedrag van het inkomensgegeven slechts in aanmerking wordt genomen voor zover dat meer bedraagt dan de uitkomst van 108% van het twaalfvoud van het bedrag per maand, bedoeld in artikel 8 lid 1 onderdeel b van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, als geldend op 1 januari van het inkomenstoetsjaar; c.huishoudverklaring: een door de inspecteur op verzoek van de verhuurder aan deze afgegeven verklaring; d.inkomenstoetsjaar: tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin ten aanzien van een huurovereenkomst een huishoudverklaring is verstrekt; e.inspecteur: functionaris van de rijksbelastingdienst die als zodanig bij regeling van Onze Minister van Financiën is aangewezen; f.peiljaar: het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de voorgestelde dag van ingang van de voorgestelde huurprijs is gelegen.

  3. 3

    Indien een voorstel als bedoeld in lid 1 wordt gedaan, wordt bij het voorstel een huishoudverklaring gevoegd.

  4. 4

    De inspecteur verstrekt desgevraagd aan de verhuurder een huishoudverklaring. De verklaring vermeldt of op basis van gegevens uit de basisregistratie inkomen op het moment van behandeling van het verzoek van de verhuurder aan de inspecteur te verwachten is dat het huishoudinkomen niet hoger is dan het op grond van artikel 10 lid 2 onder a onder 1 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte voor het huishouden van de huurder toepasselijke bedrag, dan wel hoger is dan dat bedrag doch niet hoger dan het op grond van dat lid onder a onder 3 voor het huishouden van de huurder toepasselijke bedrag, dan wel hoger is dan het laatstbedoelde bedrag. Indien geen inkomensgegeven in de basisregistratie inkomen beschikbaar is, vermeldt de verklaring dat dat het geval is. Bij regeling van Onze Minister van Financiën worden nadere regels gesteld ter uitvoering van dit lid. Daarbij worden in ieder geval regels gesteld omtrent het kunnen doen van een verzoek tot het verstrekken van een huishoudverklaring, het verzoek zelf, de verstrekking van de huishoudverklaring, alsmede ten aanzien van de verhuurder.

  5. 5

    Indien een huurovereenkomst tot wijziging van de huurprijs tot stand komt naar aanleiding van een voorstel daartoe, dat niet voldoet aan lid 3 is de verhoging van de huurprijs op basis van een voorstel als bedoeld in lid 1 niet mogelijk, tenzij blijkt dat de huurder niet door het verzuim is benadeeld.

  6. 6

    Een overeenkomst tot wijziging van de huurprijs als gevolg van een voorstel als bedoeld in lid 1: a.onder a of b komt niet tot stand indien de huurder kan aantonen dat hij of een ander lid van zijn huishouden deel uitmaakt van een bij regeling van Onze Minister te bepalen groep; b.onder a komt niet tot stand indien de huurder kan aantonen dat het huishoudinkomen in het peiljaar gelijk is aan of lager is dan het op grond van artikel 10 lid 2 onder a onder 1 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte voor zijn huishouden toepasselijke bedrag; c.onder b komt niet tot stand indien de huurder kan aantonen dat het huishoudinkomen in het peiljaar gelijk is aan of lager is dan het op grond van artikel 10 lid 2 onder a onder 3 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte voor zijn huishouden toepasselijke bedrag, in welk geval dat voorstel wordt aangemerkt als een voorstel als bedoeld in lid 1 onder a.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2025:264Parket bij de Hoge Raad, 28 februari 2025 (belastingrecht)

    'Class action' van 56 verhuurderheffingsplichtigen. Heffing in strijd met eigendomsgrondrecht? Verhouding tussen inkomensafhankelijke huurverhoging (IAH) en verhuurderheffing. Is de IAH verboden…

  • ECLI:NL:PHR:2024:770Parket bij de Hoge Raad, 19 juli 2024 (civiel recht)

    Huurrecht woonruimte. Consumentenrecht. Huurprijswijzigingsbeding (CPI plus maximaal 3%). Splitsbaar in indexatiebeding en opslagbeding? Opslagbeding oneerlijk? Gevolgen oneerlijkheid beding.

  • ECLI:NL:PHR:2024:771Parket bij de Hoge Raad, 19 juli 2024 (civiel recht)

    Huurrecht woonruimte. Consumentenrecht. Huurprijswijzigingsbeding (CPI plus maximaal 3%). Splitsbaar in indexatiebeding en opslagbeding? Opslagbeding oneerlijk? Gevolgen oneerlijkheid beding.

  • ECLI:NL:HR:2022:1866Hoge Raad, 16 december 2022 (civiel recht)

    Bevoegdheidsverdeling burgerlijke rechter en bestuursrechter. Art. 112 lid 1 Grondwet. Ontvankelijkheid. Belastingdienst verstrekt inkomensverklaringen van huurders aan verhuurders. Verwerking…

  • ECLI:NL:GHAMS:2026:2641Gerechtshof Amsterdam, 8 september 2026 (civiel recht)

    Huur woonruimte. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen. Na tussenarrest is gebleken dat het gehuurde toch niet-geliberaliseerde woonruimte is. Het beding dat de huurprijs jaarlijks op de wettelijke…

  • ECLI:NL:RBAMS:2026:7247Rechtbank Amsterdam, 17 juli 2026 (civiel recht)

    Kantonrechter stelt prejudiciële vragen over onder meer de splitsing van het huurprijswijzigingsbeding en de vraag of het beding oneerlijk is aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

  • ECLI:NL:RBMNE:2026:2152Rechtbank Midden-Nederland, 22 april 2026 (civiel recht)

    Huurprijsverhoging door verhuurder. Huurder moet eerst bezwaar maken bij huurcommissie. Niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:GHAMS:2025:1826Gerechtshof Amsterdam, 15 juli 2025 (civiel recht)

    Huur woning in sociale sector. Richtlijn 93/13/EG (oneerlijke bedingen). Oneerlijk huurprijswijzigingsbeding (ECLI:NL:HR:2024:1780)? Oneerlijk proceskostenbeding (ECLI:NL:HR:2025:1081)?

44 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.