Burgerlijk Wetboek Boek 7

BW

Huidige tekst

Artikel 7:278 BW

Geldt sinds 1 augustus 2003

  1. 1

    Een onderhuurovereenkomst van woonruimte die niet krachtens artikel 269 na beëindiging van de hoofdhuur door de hoofdverhuurder wordt voortgezet, eindigt op het door de rechter op vordering van de hoofdverhuurder overeenkomstig artikel 273 lid 3 vastgestelde tijdstip van ontruiming.

  2. 2

    Indien de hoofdhuurder bij de beëindiging en de bepaling van het tijdstip van ontruiming onvoldoende voor de belangen van de onderhuurder heeft gewaakt, is hij verplicht de schade die de onderhuurder daardoor lijdt te vergoeden.

  3. 3

    De hoofdhuurder tegen wie door de hoofdverhuurder een vordering wordt ingesteld, die mede de belangen van de onderhuurder raakt, is bevoegd om deze in het geding te roepen.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:RBMNE:2024:1847Rechtbank Midden-Nederland, 27 maart 2024 (civiel recht)

    Eiser huurde als onderhuurder een kamer van gedaagde. De hoofdhuurovereenkomst tussen verhuurder en gedaagde is ontbonden en de deurwaarder heeft de woning, inclusief de kamer van eiser, ontruimd.…

  • ECLI:NL:GHARL:2020:8088Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 oktober 2020 (civiel recht)

    Huurrecht. Opzegging huurovereenkomst woonruimte wegens dringend eigen gebruik in hoger beroep alsnog gehonoreerd.

  • ECLI:NL:RBAMS:2020:2468Rechtbank Amsterdam, 4 mei 2020 (civiel recht)

    kort geding. ontruimen woonruimte in Coronatijd. onderhuur onzelfstandige woonruimte. einde hoofdhuur voldoende aannemelijk. ontruiming toegewezen, maar op langere termijn (2 maanden). Proceskosten…

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.