Burgerlijk Wetboek Boek 7

BW

Huidige tekst

Artikel 7:971 BW

Geldt sinds 1 januari 2006

  1. 1

    Bij het vestigen van een pandrecht op uit een sommenverzekering voortvloeiende rechten mist artikel 239 van Boek 3 toepassing.

  2. 2

    Indien het pandrecht rust op een recht op uitkering, treedt voor de toepassing van de artikelen 246 en 253 van Boek 3 en artikel 490b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de hoofdgerechtigde voor de pandgever in de plaats. Heeft een als hoofdgerechtigde aangewezen derde zijn aanwijzing nog niet aanvaard, dan stelt de pandhouder de derde daartoe in de gelegenheid.

  3. 3

    In afwijking van lid 2 kan de pandhouder een overschot als bedoeld in artikel 253 lid 1, tweede zin, van Boek 3 ook afdragen aan de verzekeraar. De verzekeraar is het bedrag verschuldigd aan de hoofdgerechtigde.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:RBMNE:2024:7514Rechtbank Midden-Nederland, 31 december 2024 (ondernemingsrecht)

    Dit geschil gaat over de vraag of de verzekeraar mocht toelaten dat verzekeringnemer, de ex-partner van gedaagde, fondswisselingen van zijn levensverzekering deed terwijl er een maritaal derdenbeslag…

  • ECLI:NL:GHAMS:2022:1565Gerechtshof Amsterdam, 24 mei 2022 (civiel recht)

    Tussenarrest. Onrechtmatige daad bank. Inhouding uitkering uit levensverzekering met beroep op een niet-gevestigd pandrecht. Hof wil verduidelijking over de gestelde schade.

  • ECLI:NL:GHARL:2015:4553Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 juni 2015 (civiel recht)

    Motorrijtuigverzekering. Inlichtingenplicht.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.