Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte

UHW

Huidige tekst

Artikel 10 UHW

Geldt sinds 4 juni 2026

  1. 1

    Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven voor de waardering van de kwaliteit van een woonruimte, van de redelijkheid van de huurprijs en van wijziging daarvan, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen woonruimte waarvoor de eigenaar een voor die woonruimte, overeenkomstig de op grond van artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 4.20, aanhef en onder m, van de Omgevingswet gegeven regels omtrent de energieprestatie van gebouwen, afgegeven energieprestatiecertificaat aan de huurder heeft verstrekt of indien dat niet het geval is daartoe op grond van die regels wel verplicht was, en onderscheid kan worden gemaakt tussen woonruimte waarvoor voor die woonruimte een WOZ-waarde is vastgesteld op grond van artikel 17 van de Wet waardering onroerende zaken en woonruimte waarvoor dat niet het geval is, en overige woonruimte.

  2. 2

    Bij ministeriële regeling wordt het percentage dan wel het bedrag van de maximale huurverhoging vastgesteld, mede aan de hand van: a.het gegeven of het huishoudinkomen over het peiljaar of het inkomenstoetsjaar van de op het tijdstip van de in het voorstel tot verhoging van de huurprijs genoemde ingangsdatum in de woonruimte wonende huurder en overige bewoners: 1°. niet hoger is dan € 59.504 indien het huishouden bestaat uit de huurder, dan wel niet hoger is dan € 68.858 indien het huishouden bestaat uit de huurder en een of meer overige bewoners, 2°. hoger is dan € 59.504 doch niet hoger dan € 70.149 indien het huishouden bestaat uit de huurder, dan wel hoger is dan € 68.858 doch niet hoger dan € 93.531 indien het huishouden bestaat uit de huurder en een of meer overige bewoners, 3°. hoger is dan € 70.149 indien het huishouden bestaat uit de huurder, dan wel hoger is dan € 93.531 indien het huishouden bestaat uit de huurder en een of meer overige bewoners; b.de geldende huurprijs, en c.het gegeven of die woonruimte een zelfstandige woning vormt. Bij ministeriële regeling worden de bedragen, genoemd in onderdeel a, met ingang van 1 januari van elk jaar gewijzigd met de procentuele wijziging per 1 januari van het peiljaar van het bedrag, genoemd in artikel 17, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de huurtoeslag.

  3. 3

    Het maximale huurverhogingspercentage voor huurovereenkomsten als bedoeld in de artikelen 7:247 en 7:247a van het Burgerlijk Wetboek in enig jaar is gelijk aan: a.(het gemiddelde van de prijsindexcijfers van de maanden december t-2 tot en met november t-1) / (het gemiddelde van de prijsindexcijfers van de maanden december t-3 tot en met november t-2) vermeerderd met één procentpunt, waarbij de prijsindexcijfers de cijfers uit de «Consumentenprijsindex Alle Huishoudens» van het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn en de gemiddelde prijsindexcijfers worden berekend uit de prijsindexcijfers vermeld in het nummer van het Statistisch Bulletin, waarin het indexcijfer van november t-1 respectievelijk november t-2, al dan niet voorlopig, wordt gepubliceerd, dan wel, indien dat leidt tot een lager percentage; b.(het gemiddelde van de CAO-loonindexcijfers van de maanden december t-2 tot en met november t-1) / (het gemiddelde van de CAO-loonindexcijfers van de maanden december t-3 tot en met november t-2) waarbij de CAO-loonindexcijfers de cijfers uit de «CAO-loonindex Alle Economische Activiteiten, Cao-lonen per uur inclusief bijzondere beloningen» van het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn en de gemiddelde loonindexcijfers worden berekend uit de CAO-loonindexcijfers vermeld in het nummer van het Statistisch Bulletin, waarin het indexcijfer van november t-1 respectievelijk november t-2, al dan niet voorlopig, wordt gepubliceerd, vermeerderd met één procentpunt.

  4. 4

    Het maximale huurverhogingspercentage voor huurovereenkomsten die betrekking hebben op middeldure huurwoonruimte als bedoeld in artikel 1 van de Huisvestingswet 2014 in enig jaar is gelijk aan (het gemiddelde van de CAO-loonindexcijfers van de maanden december t-2 tot en met november t-1) / (het gemiddelde van de CAO-loonindexcijfers van de maanden december t-3 tot en met november t-2) waarbij de CAO-loonindexcijfers de cijfers uit de «CAO-loonindex Alle Economische Activiteiten, Cao-lonen per uur inclusief bijzondere beloningen» van het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn en de gemiddelde loonindexcijfers worden berekend uit de CAO-loonindexcijfers vermeld in het nummer van het Statistisch Bulletin, waarin het indexcijfer van november t-1 respectievelijk november t-2, al dan niet voorlopig, wordt gepubliceerd, vermeerderd met één procentpunt.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2025:264Parket bij de Hoge Raad, 28 februari 2025 (belastingrecht)

    'Class action' van 56 verhuurderheffingsplichtigen. Heffing in strijd met eigendomsgrondrecht? Verhouding tussen inkomensafhankelijke huurverhoging (IAH) en verhuurderheffing. Is de IAH verboden…

  • ECLI:NL:PHR:2024:770Parket bij de Hoge Raad, 19 juli 2024 (civiel recht)

    Huurrecht woonruimte. Consumentenrecht. Huurprijswijzigingsbeding (CPI plus maximaal 3%). Splitsbaar in indexatiebeding en opslagbeding? Opslagbeding oneerlijk? Gevolgen oneerlijkheid beding.

  • ECLI:NL:PHR:2024:771Parket bij de Hoge Raad, 19 juli 2024 (civiel recht)

    Huurrecht woonruimte. Consumentenrecht. Huurprijswijzigingsbeding (CPI plus maximaal 3%). Splitsbaar in indexatiebeding en opslagbeding? Opslagbeding oneerlijk? Gevolgen oneerlijkheid beding.

  • ECLI:NL:HR:2023:1005Hoge Raad, 30 juni 2023 (civiel recht)

    Huurrecht. Prejudiciele vragen. Toetsing aanvangshuurprijs. Art. 7:249 BW. Is voor waardering van energieprestatie van woning nodig dat bij ingang van huurovereenkomst een energie-index was…

  • ECLI:NL:RBMNE:2026:7183Rechtbank Midden-Nederland, 7 oktober 2026 (civiel recht)

    Aanvangshuurprijs is niet redelijk. Nieuwe energieleabel hoeft niet te worden meegnenomen in de berekening. huurprijsvermindiering vanwege gebrek.

  • ECLI:NL:RBNNE:2026:3652Rechtbank Noord-Nederland, 1 september 2026 (civiel recht)

    Huurcommissiezaak. Bezwaar huurder tegen aangezegd huurverhoging. Puntenwaardering van het gehuurde met betrekking tot o.a. de WOZ-waarde van het gehuurde en het energielabel

  • ECLI:NL:RBAMS:2026:8401Rechtbank Amsterdam, 31 juli 2026 (verbintenissenrecht)

    Huur woonruimte; 7:254 en 7:262 BW. Verhuurder start procedure bij de kantonrechter nadat de huurcommissie uitspraak heeft gedaan op een verzoek van de huurder tot verlaging van de huurprijs.…

  • ECLI:NL:RBAMS:2026:7247Rechtbank Amsterdam, 17 juli 2026 (civiel recht)

    Kantonrechter stelt prejudiciële vragen over onder meer de splitsing van het huurprijswijzigingsbeding en de vraag of het beding oneerlijk is aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

113 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.