Faillissementswet

Fw

Huidige tekst

Artikel 249 Fw

Geldt sinds 1 december 2005

  1. 1

    Indien de faillietverklaring wordt uitgesproken ingevolge een der bepalingen van deze titel of wel binnen één maand na het einde der surseance, gelden de volgende regelen: 1°. het tijdstip, waarop de termijnen vermeld in de artikelen 43 en 45 van deze wet en in de artikelen 138, zesde lid, en 248, zesde lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek aanvangen, wordt berekend van de aanvang der surseance af; 2°. de curator oefent de bevoegdheid uit, in het eerste lid van artikel 228 aan de bewindvoerders toegekend; 3°. handelingen, door de schuldenaar met medewerking, machtiging of bijstand van de bewindvoerders verricht, worden beschouwd als handelingen van de curator en boedelschulden, gedurende de surseance ontstaan, zullen ook in het faillissement als boedelschulden gelden; 4°. de boedel is niet aansprakelijk voor verbintenissen van de schuldenaar, zonder medewerking, machtiging of bijstand van de bewindvoerders gedurende de surseance ontstaan, dan voorzover deze ten gevolge daarvan gebaat is.

  2. 2

    Is opnieuw surseance verzocht, binnen een maand na afloop van een vroeger verleende, dan geldt hetgeen in het eerste lid is bepaald mede voor het tijdvak der eerstvolgende surseance.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:HR:2018:424Hoge Raad, 23 maart 2018 (insolventierecht)

    Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Faillissementsrecht. Invloed faillissement op wederkerige overeenkomsten, art. 37-40 Fw. Fixatiebeginsel, art. 24 Fw. Mogelijkheid tot verificatie van vorderingen…

  • ECLI:NL:HR:2017:2991Hoge Raad, 24 november 2017 (civiel recht)

    Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Komt tijdens surseance vervallen rente die in de surseance buiten beschouwing moet blijven (art. 260 Fw), in aanmerking voor verificatie in opvolgend faillissement?…

  • ECLI:NL:PHR:2017:1593Parket bij de Hoge Raad, 13 oktober 2017 (insolventierecht)

    Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Faillissementsrecht. Invloed faillissement op wederkerige overeenkomsten, art. 37-40 Fw. Fixatiebeginsel, art. 24 Fw. Mogelijkheid tot verificatie van vorderingen…

  • ECLI:NL:PHR:2017:1014Parket bij de Hoge Raad, 22 september 2017 (civiel recht)

    Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Komt tijdens surseance vervallen rente die in de surseance buiten beschouwing moet blijven (art. 260 Fw), in aanmerking voor verificatie in opvolgend faillissement?…

  • ECLI:NL:RBZWB:2022:108Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12 januari 2022 (civiel recht)

    Hoofdzaak. Ondanks schending publicatieplicht bestuurder niet aansprakelijk voor faillissementstekort op grond van artikel 2:248 lid 2 BW. Het betoog van de bestuurder, dat andere feiten of…

  • ECLI:NL:RBAMS:2017:1971Rechtbank Amsterdam, 22 maart 2017 (civiel recht)

    Vervolg op Rb. Amsterdam 28 december 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:9633. Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.

  • ECLI:NL:RBAMS:2017:2006Rechtbank Amsterdam, 22 maart 2017 (civiel recht)

    Prejudiciële vraag voor HR: Komt een vordering ter zake van rente vervallen in de periode vanaf datum van surseance van betaling tot aan de datum van een opvolgend faillissement over een vordering…

  • ECLI:NL:RBAMS:2016:9633Rechtbank Amsterdam, 28 december 2016 (insolventierecht)

    Na surseance van betaling/faillissement ontstane vorderingen uit hoofde van reeds bestaande rechtsverhouding. Fixatiebeginsel. Art. 249 Fw. Betekenis van r.o. 3.7.2 van HR 19 april 2013 (Koot…

20 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.