Faillissementswet

Fw

Huidige tekst

Artikel 215 Fw

Geldt sinds 1 januari 2023

  1. 1

    Het verzoekschrift met bijbehorende stukken wordt ter griffie van de rechtbank neergelegd, ter kosteloze inzage van een ieder. Indien de schuldenaar een moedermaatschappij met zetel in Nederland van een verzekeraar met een vergunning als bedoeld in artikel 2:26a, 2:27 of 2:54a van de Wet op het financieel toezicht is stelt de griffier van de rechtbank De Nederlandsche Bank N.V. terstond in kennis van de neerlegging.

  2. 2

    De rechtbank zal dadelijk de gevraagde surseance voorlopig verlenen en een of meer bewindvoerders benoemen, ten einde met de schuldenaar het beheer over diens zaken te voeren. Bovendien beveelt de rechtbank, dat de bekende schuldeisers, benevens de schuldenaar, en indien de schuldenaar een moedermaatschappij met zetel in Nederland van een verzekeraar met een vergunning als bedoeld in artikel 2:26a, 2:27 of 2:54a van de Wet op het financieel toezicht is, De Nederlandsche Bank N.V., tegen een door de rechtbank op korte termijn bepaalde dag, door de griffier bij brieven worden opgeroepen, ten einde, alvorens beslist wordt omtrent het definitief verlenen van de gevraagde surseance, op het verzoekschrift te worden gehoord. Behalve de dag worden uur en plaats der bijeenkomst daarbij vermeld, alsmede of een ontwerp van akkoord bij het verzoekschrift is gevoegd. Artikel 6, eerste lid, derde zin, en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  3. 3

    Als een verzoek tot verlening van surseance en een verzoek tot aanwijzing van een herstructureringsdeskundige als bedoeld in artikel 371 gelijktijdig aanhangig zijn, komt eerst het laatste in behandeling en vindt in afwijking van het tweede lid geen voorlopige verlening van surseance plaats.

  4. 4

    De behandeling van het verzoek en de voorlopige verlening van surseance van betaling worden in ieder geval geschorst totdat de rechtbank heeft beslist op het verzoek tot aanwijzing van de herstructureringsdeskundige. Wijst de rechtbank het verzoek toe, dan kondigt zij daarbij tevens overeenkomstig artikel 376 een afkoelingsperiode af en blijft de schorsing tijdens die periode van kracht.

  5. 5

    De rechtbank benoemt op grond van het tweede lid een bewindvoerder die adequaat is opgeleid en over de voor zijn taken vereiste deskundigheid beschikt. Bij de benoeming: a.houdt de rechtbank rekening met de specifieke kenmerken van de zaak, waaronder eventuele grensoverschrijdende elementen, en de ervaring en deskundigheid van de bewindvoerder; en b.hanteert de rechtbank een procedure en voorwaarden die duidelijk, transparant en rechtvaardig zijn.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2026:505Parket bij de Hoge Raad, 22 mei 2026 (civiel recht)

    Bestuurdersaansprakelijkheid; art. 6:162 BW; Beklamelnorm; motiveringsklachten.

  • ECLI:NL:PHR:2026:151Parket bij de Hoge Raad, 6 februari 2026 (insolventierecht)

    Faillissementsrecht. Moeten de gefailleerde en de schuldeisers worden gehoord over de salarisvaststelling van de curator ex art. 71 lid 1 Fw? Is Richtlijn (EU) 2019/1023 grond voor terugkomen van HR…

  • ECLI:NL:PHR:2020:928Parket bij de Hoge Raad, 9 oktober 2020 (burgerlijk procesrecht)

    Faillissementsrecht. Vervolg op HR 5 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:351. Vaststelling faillissementskosten en salaris door HR (art. 15 lid 3 Fw).

  • ECLI:NL:HR:2017:1280Hoge Raad, 7 juli 2017 (insolventierecht)

    Insolventierecht. Intrekking surseance van betaling en faillietverklaring o.g.v. art. 242 Fw. Internationaal concern met de Nederlandse financieringsmaatschappijen. Uitzondering op toepasselijkheid…

  • ECLI:NL:RBZWB:2026:8541Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28 augustus 2026 (insolventierecht)

    Verlening voorlopige surseance; internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van een surseance verzoek van een in Zwitserland gevestigde onderneming met een vestiging in…

  • ECLI:NL:OGEABES:2026:19Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 17 april 2026 (civiel recht)

    Voorlopige surseance van betaling.

  • ECLI:NL:RBNNE:2024:3080Rechtbank Noord-Nederland, 8 augustus 2024 (insolventierecht)

    verzoek tot intrekking surseance door de bewindvoerder afgewezen, feitelijk is surseance nooit gestart, taak bewindvoerder in surseance, rechtbank benoemt andere bewindvoerder omdat er geen…

  • ECLI:NL:OGEABES:2021:2Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 9 maart 2021 (civiel recht)

    Bopec. Voorlopige surseance van betaling.

20 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.