Burgerlijk Wetboek Boek 1

BW

Huidige tekst

Artikel 1:94 BW

Omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen redactionele omschrijving

Geldt sinds 1 januari 2018

  1. 1

    Van het ogenblik van de voltrekking van het huwelijk bestaat tussen de echtgenoten van rechtswege een gemeenschap van goederen.

  2. 2

    De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, alle goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle overige goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding verkregen, met uitzondering van: a.krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift verkregen goederen; b.pensioenrechten waarop de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is, alsmede met die pensioenrechten verband houdende rechten op nabestaandenpensioen; c.rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 29 en 30 van Boek 4, vruchtgebruik dat op grond van die bepalingen is gevestigd, alsmede hetgeen wordt verkregen ingevolge de artikelen 34, 35, 36, 38, 63 tot en met 92 en 126, eerste lid en tweede lid, onderdelen a en c, van Boek 4.

  3. 3

    Het tweede lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op: a.giften van tot de gemeenschap behorende goederen aan de andere echtgenoot; b.goederen, alsmede de vruchten van die goederen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift is bepaald dat zij in de gemeenschap vallen.

  4. 4

    Goederen, alsmede de vruchten van die goederen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen, blijven buiten de gemeenschap, ook al zijn echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift verkregen goederen dan wel de vruchten daarvan in de gemeenschap vallen.

  5. 5

    Goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, vallen slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.

  6. 6

    Vruchten van goederen die niet in de gemeenschap vallen, vallen evenmin in de gemeenschap. Buiten de gemeenschap valt hetgeen wordt geïnd op een vordering die buiten de gemeenschap valt, alsmede een vordering tot vergoeding die in de plaats van een eigen goed van een echtgenoot treedt, waaronder begrepen een vordering ter zake van waardevermindering van zulk een goed.

  7. 7

    De gemeenschap omvat, wat haar lasten betreft, alle vóór het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden, alle schulden betreffende goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de echtgenoten, met uitzondering van schulden: a.betreffende van de gemeenschap uitgezonderde goederen; b.die behoren tot een nalatenschap waartoe een echtgenoot is gerechtigd; c.uit door een van de echtgenoten gedane giften, gemaakte bedingen en aangegane omzettingen als bedoeld in artikel 126, eerste lid en tweede lid, onderdelen a en c, van Boek 4.

  8. 8

    Bestaat tussen echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een goed toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt dit goed als gemeenschapsgoed aangemerkt. Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers van de echtgenoten.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2026:721Parket bij de Hoge Raad, 10 juli 2026 (personen- en familierecht)

    Huwelijksvermogensrecht. Verdeling huwelijksgemeenschap. ‘Economische eigendom’ in civiel recht slechts samenvattende benaming. Verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen met betrekking tot een…

  • ECLI:NL:PHR:2026:235Parket bij de Hoge Raad, 6 maart 2026 (personen- en familierecht)

    Huwelijksvermogensrecht; verknochtheid schadevergoeding; zaaksvervanging; vergoedingsrechten; ongerechtvaardigde verrijking.

  • ECLI:NL:PHR:2026:202Parket bij de Hoge Raad, 27 februari 2026 (belastingrecht)

    Art. 14 EVRM; art. 2.10(2)-(3) en art. 6.7(1)(a) Wet IB 2001; art. 2 Wet VSP. Boon/Van Loon-arrest. Discriminatieverbod geschonden doordat de tariefmaatregel in art. 2.10(2) Wet IB 2001 ertoe leidt…

  • ECLI:NL:PHR:2025:1330Parket bij de Hoge Raad, 5 december 2025 (personen- en familierecht)

    Huwelijksvermogensrecht. Verdeling gemeenschap na echtscheiding. Motiveringsklachten.

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:30664Rechtbank Den Haag, 18 september 2026 (personen- en familierecht)

    Echtscheiding met nevenvoorzieningen. IPR. Wagonstelsel. Geen verweer.

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:30521Rechtbank Den Haag, 16 september 2026 (personen- en familierecht)

    Scheiding met nevenvoorzieningen

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:30397Rechtbank Den Haag, 15 september 2026 (personen- en familierecht)

    Ontbinding geregistreerd partnerschap. Gedurende huwelijk partnerschapsvoorwaarden aangegaan, waarbij gemeenschap niet is verdeeld. Afwikkeling vermogen.

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:30398Rechtbank Den Haag, 15 september 2026 (personen- en familierecht)

    Echtscheiding met nevenvoorzieningen

848 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.