Burgerlijk Wetboek Boek 1

BW

Huidige tekst

Artikel 1:253q BW

Geldt sinds 1 januari 2015

  1. 1

    Wanneer een van de ouders die gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen, op een der in artikel 246 genoemde gronden daartoe onbevoegd is, oefent de andere ouder alleen het gezag over de kinderen uit. Wanneer de grond van de onbevoegdheid is weggevallen, herleeft van rechtswege het gezamenlijke gezag.

  2. 2

    Wanneer beide ouders die gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen, daartoe op een der in artikel 246 genoemde gronden onbevoegd zijn, benoemt de rechtbank een voogd.

  3. 3

    Wanneer een ouder die alleen het gezag uitoefent, op een der in artikel 246 genoemde gronden daartoe onbevoegd is, belast de rechtbank de andere ouder met het gezag, tenzij de rechter oordeelt dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet. Alsdan benoemt zij een voogd.

  4. 4

    De in het tweede en derde lid bedoelde beslissingen worden gegeven op verzoek van een ouder, bloed- of aanverwanten van de minderjarige, de raad voor de kinderbescherming, de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, een rechtspersoon een daartoe door Onze Minister van Veiligheid en Justitie aanvaarde rechtspersoon als bedoeld in artikel 256, eerste lid, en artikel 302, tweede lid, of ambtshalve.

  5. 5

    Wanneer de grond van de onbevoegdheid ten aanzien van de ouder die het gezag alleen uitoefende, is vervallen, belast de rechtbank deze ouder op zijn verzoek wederom met het gezag tenzij de rechtbank oordeelt dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet. Op verzoek van de ouders of een van hen kan hij de ouders gezamenlijk met het gezag belasten.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2023:1201Parket bij de Hoge Raad, 22 december 2023 (belastingrecht)

    Successiewet; het begrip ‘kind’ in art. 32(1)4°(c) SW en het begrip ‘afstammeling’ in art. 24(1) SW; uitleg van art. 2(3)i AWR; is het kind dat family life heeft met de biologische vader, maar met…

  • ECLI:NL:PHR:2011:BT2704Parket bij de Hoge Raad, 25 november 2011 (strafrecht)

    Art. 81 RO. Verzoek om benoeming voogd; art. 1:253r en 253q BW.

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:30453Rechtbank Den Haag, 15 september 2026 (personen- en familierecht)

    Beschikking van de rechtbank over beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogd.

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:29206Rechtbank Den Haag, 2 september 2026 (personen- en familierecht)

    Verzoek verklaring voor recht uitspraak voogdij in Eritrea afgewezen, subsidiair verzoek uitspreken voogdij wordt toegewezen.

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:28685Rechtbank Den Haag, 28 augustus 2026 (personen- en familierecht)

    I. Aanhouding verzoek beëindiging ouderlijk gezag vader II. Beëindiging ouderlijk gezag moeder III. Schorsing ouderlijk gezag vader IV. Benoeming voogdij GI

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:24706Rechtbank Den Haag, 30 juli 2026 (personen- en familierecht)

    Tussenbeschikking voorziening in de voogdij (ex artikel 1:253q, lid 2, jo. 1:253r BW)

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:23318Rechtbank Den Haag, 20 juli 2026 (personen- en familierecht)

    Voorziening in de voogdij ex artikel 1:253q jo 1:253r BW

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:22569Rechtbank Den Haag, 13 juli 2026 (personen- en familierecht)

    Gezag en omgang; afwijzing gezamenlijk gezag, vanwege specifieke zorgbehoefte minderjarige vaststelling omgangsregeling op termijn.

188 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.