Burgerlijk Wetboek Boek 1

BW

Huidige tekst

Artikel 1:408 BW

Inning van alimentatie door het LBIO redactionele omschrijving

Geldt sinds 1 augustus 2009

  1. 1

    Een uitkering tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding of tot voorziening in de kosten van levensonderhoud en studie, waarvan het bedrag in een rechterlijke beslissing, daaronder begrepen de beslissing op grond van artikel 822, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is vastgelegd, wordt ten behoeve van de minderjarige aan de ouder die het kind verzorgt en opvoedt of aan de voogd onderscheidenlijk aan de meerderjarige betaald.

  2. 2

    Op verzoek van een gerechtigde als bedoeld in het eerste lid, van een onderhoudsplichtige dan wel op gezamenlijk verzoek van een gerechtigde en onderhoudsplichtige neemt het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen de invordering van de onderhoudsgelden op zich. De executoriale titel wordt daartoe door de onderhoudsgerechtigde in handen gesteld van dit Bureau. De overhandiging daarvan machtigt het Bureau tot het doen van de invordering, zo nodig door middel van executie.

  3. 3

    Kosten van invordering door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen worden verhaald op de onderhoudsplichtige, onverminderd de kosten van gerechtelijke vervolging en executie. Het verhaal van kosten vindt plaats door wijziging van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

  4. 4

    Tot invordering op verzoek van een onderhoudsgerechtigde wordt slechts overgegaan, indien de gerechtigde ter gelegenheid van de indiening van het verzoek aannemelijk heeft gemaakt dat binnen ten hoogste zes maanden voorafgaande aan de indiening van het verzoek de onderhoudsplichtige ten aanzien van ten minste één periodieke betaling tekort is geschoten in zijn verplichtingen. In deze gevallen geschiedt de invordering van bedragen die verschuldigd zijn vanaf een tijdstip van ten hoogste zes maanden voorafgaande aan de indiening van het verzoek.

  5. 5

    Alvorens tot invordering met verhaal van kosten over te gaan wordt de onderhoudsplichtige bij brief met bericht van ontvangst in kennis gesteld van het voornemen daartoe en de reden daarvoor, alsmede van het bedrag inclusief de kosten van invordering. Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen wordt bevoegd tot invordering over te gaan op de veertiende dag na de verzending van de brief.

  6. 6

    De invordering die op verzoek van de onderhoudsgerechtigde geschiedt, eindigt slechts, indien gedurende ten minste een half jaar regelmatig is betaald aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen en er geen bedragen meer verschuldigd zijn als bedoeld in het vierde lid, tweede volzin. De termijn van een half jaar wordt telkens verdubbeld, indien een voorgaande termijn van invordering ook op verzoek van de onderhoudsgerechtigde was aangevangen.

  7. 7

    Een invordering die geldt op het tijdstip van het meerderjarig worden van het kind, wordt ten behoeve van de meerderjarige voortgezet, tenzij deze op zijn verzoek wordt beëindigd.

  8. 8

    De tenuitvoerlegging van een executoriale titel betreffende de betaling van de kosten van verzorging en opvoeding of levensonderhoud en studie geschiedt met inachtneming van de wijziging, bedoeld in het derde lid.

  9. 9

    Invorderingen die tien jaren nadat de minderjarige de leeftijd van een en twintig jaren heeft bereikt, nog niet door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen zijn verwezenlijkt, mogen worden beëindigd. De onderhoudsgerechtigde wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

  10. 10

    Een betaling door de onderhoudsplichtige strekt in de eerste plaats in mindering van de kosten, bedoeld in het derde lid, vervolgens in mindering van eventueel verschenen rente en ten slotte in mindering van de verschuldigde onderhoudsgelden en de eventueel lopende rente.

  11. 11

    Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen draagt zorg, dat de gelden die ten behoeve van het onderhoud van minderjarigen worden uitgekeerd, aan de daarop rechthebbenden worden uitbetaald.

  12. 12

    Artikel 243, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  13. 13

    Met uitzondering van de leden 1, 7 en 11, is dit artikel van overeenkomstige toepassing op de ten behoeve van een echtgenoot of geregistreerd partner bij rechterlijke uitspraak vastgestelde uitkering tot levensonderhoud, daaronder begrepen de beschikking inzake een voorlopige voorziening betreffende een uitkering tot levensonderhoud, met dien verstande dat invorderingen die tien jaar na de indiening van het verzoek om invordering nog niet zijn verwezenlijkt door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, mogen worden beëindigd.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:HR:2025:724Hoge Raad, 9 mei 2025 (personen- en familierecht)

    Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Personen- en familierecht. Valt jongmeerderjarige onder reikwijdte van art. 822 lid 1, onder c, Rv? Kan werkwijze van rechtbank in echtscheidingsprocedure, waarbij…

  • ECLI:NL:PHR:2025:192Parket bij de Hoge Raad, 12 februari 2025 (personen- en familierecht)

    Prejudiciële vragen over verzoek onderhoudsbijdrage jongmeerderjarige (art. 1:395a BW). Kan dit verzoek in de echtscheidingsprocedure tussen de ouders worden gedaan (art. 822 Rv en art. 827 Rv)?

  • ECLI:NL:PHR:2024:462Parket bij de Hoge Raad, 26 april 2024 (personen- en familierecht)

    Personen- en familierecht. Wijziging ouderschapsplan mbt kindrekening. Is sprake van wijziging van omstandigheden in de zin van art 1:401 lid 1 BW? Is ontbinding van art. 8 van het ouderschapsplan…

  • ECLI:NL:PHR:2022:719Parket bij de Hoge Raad, 15 juli 2022 (personen- en familierecht)

    Personen- en familierecht. Kinderalimentatie. Is hof uitgegaan van onjuiste maatstaf door te eisen dat bijzondere omstandigheden nodig zijn om de verzorgende ouder te laten bijdragen in de zorgkosten…

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:22271Rechtbank Den Haag, 10 juli 2026 (personen- en familierecht)

    Voorlopige voorzieningen. Parijen wonen nog samen, in beginsel geen ruimte voor kinderalimentatie. Gelet op de recente gebeurtenissen stelt de rechtbank desondanks een beperkte kinderalimentatie…

  • ECLI:NL:RBZWB:2026:6077Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 7 juli 2026 (bestuursrecht)

    Verzet

  • ECLI:NL:OGHACMB:2026:245Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 16 juni 2026 (civiel recht)

    Wettelijk criterium gezamenlijk gezag Curaçao wijkt af van Nederlands criterium. Belangenafweging. Wenselijk in belang van minderjarige dat moeder alleen met gezag belast blijft. Ontzegging recht op…

  • ECLI:NL:RBROT:2026:5237Rechtbank Rotterdam, 6 mei 2026 (civiel recht)

    Vordering tot opheffen executoriaal beslag op woning. Afwijzing. Stellingen zijn niet onderbouwd en beslag staat niet in de weg aan verkoop van de woning tegen een reële prijs.

80 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.