Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 16 september 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30521Zaaknummer C/09/685131 / FA RK 25-3555

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16 september 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
C/09/685131 / FA RK 25-3555
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Scheiding met nevenvoorzieningen

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen de vrouw en de man, met elkaar gehuwd op [datum] 2022 te [land];

*

bepaalt dat de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats];

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats];

hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw;

*

bepaalt als verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat de contactmomenten tussen de man en de kinderen plaatsvinden in de gevangenis waar de man verblijft, onder regie en begeleiding van de gecertificeerde instelling;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van deze beschikking, te weten 16 september 2026, een kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen van € 50,- per maand (in totaal) zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:

bepaalt dat indien en voorzover sprake is van een schuld bij de kinderopvang en deze schuld is ontstaan vóór de peildatum, te weten 17 april 2025, in de onderlinge verhouding tussen partijen elk van hen de helft van deze schuld voor zijn/haar rekening dient te nemen;

*

verklaart deze beschikking – met uitzondering van de echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 16 september 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Scheiding met nevenvoorzieningen
  2. Procedure
  3. Feiten
  4. Verzoek en verweer
  5. Beoordeling
  6. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummers: FA RK 25-3555 (scheiding) en FA RK 26-6123 (verdeling)

Zaaknummers: C/09/685131 (scheiding) en C/09/690028 (verdeling)

Datum beschikking: 16 september 2026

Scheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 17 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M.A. Spek te Rijswijk.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. A.M. Buitenhuis te Nieuw Vennep.

Als informant wordt aangemerkt:

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;
  • het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
  • het raadsrapport van 27 november 2025;
  • het F9-formulier van 10 augustus 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 10 augustus 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 11 augustus 2026 van de zijde van de man, met bijlagen.

Op 19 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • mevrouw [naam] namens de gecertificeerde instelling.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2022 te [land].

- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats],

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats].

- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.

- De vrouw, de man en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit.

- Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.

- Deze rechtbank heeft op 26 maart 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, inhoudende, voor zover relevant:

- toevertrouwing van de kinderen aan de man;

- een voorlopige zorgregeling;

- toedeling van het uitsluitend gebruik van de echtelijk woning aan de man;

- een verzoek aan de Raad om een onderzoek te verrichten naar welke (definitieve) zorgregeling in het belang van de kinderen is en of een wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen in hun belang is.

- Bij beschikking van 23 december 2025 van deze rechtbank zijn de kinderen onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 23 december 2025 tot 23 juni 2026. Bij beschikking van 16 juni 2026 van deze rechtbank is de ondertoezichtstelling verlengd tot 23 december 2026.

Verzoek en verweer

Het verzoek – na wijziging – strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;

  • vaststelling van kinderalimentatie van € 500,- per maand per kind te betalen door de man aan de vrouw, bij vooruitbetaling te voldoen;
  • primair, aanhechting van de door partijen getroffen onderlinge regelingen van hun betrekkingen na de echtscheiding zoals neergelegd in het echtscheidingsconvenant aan de beschikking, subsidiair vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de vrouw.

De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Daarnaast heeft de man – na wijziging – zelfstandig verzocht:

- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de man en de kinderen één keer per maand één uur in de gevangenis, waar de man op dat moment verblijft, contact met elkaar hebben en dat de man de kinderen twee keer per week mag bellen en, vanaf het moment dat de man niet meer in de gevangenis verblijft, dat de kinderen om de week bij de man zijn dan wel om de twee weken (twee weken bij de man, twee weken bij de vrouw);

- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de man;

- toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning aan [adres];

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat beide echtgenoten de Nederlandse nationaliteit hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.

Ontvankelijkheid

Partijen hebben geen ouderschapsplan ingediend zoals volgens artikel 815 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is vereist. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat partijen het op een aantal punten niet eens zijn. Hierdoor is het op dit moment niet mogelijk voor hen om een ouderschapsplan op te stellen. De rechtbank zal daarom voorbij gaan aan het vereiste van artikel 815, tweede lid, Rv en de vrouw ontvankelijk verklaren in haar verzoek tot echtscheiding.

Inhoudelijke beoordeling

Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Het verzoek tot echtscheiding kan als op de wet gegrond worden toegewezen.

Hoofdverblijfplaats

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen.

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:253a, tweede lid, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer een beslissing bevatten ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen.

Inhoudelijke beoordeling

De vrouw verzoekt om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De man heeft hiermee ingestemd. Omdat de rechtbank niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich tegen toewijzing hiervan verzet, zal de rechtbank hiertoe overgaan.

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:253a, tweede lid, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer een beslissing bevatten ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank is gebleken dat de omstandigheden na indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding (ingrijpend) zijn gewijzigd. De man is op 28 juli 2026 ingesloten in de Penitentiaire Inrichting [plaats]. Sindsdien verblijven de kinderen bij de vrouw in de vrouwenopvang. Gelet op de detentie van de man heeft hij zijn verzoek ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vóór de zitting gewijzigd. Hij verzoekt een zorgregeling vast te stellen, in die zin dat hij de kinderen één keer per maand één uur in de gevangenis ziet en dat hij twee keer per week met de kinderen belt, bijvoorbeeld op maandag en vrijdag op een later te bepalen tijdstip. Daarnaast verzoekt de man – zo begrijpt de rechtbank – een zorgregeling vast te stellen, welke geldt na zijn detentie.

Op de zitting heeft de rechtbank met partijen en de gecertificeerde instelling over het verzoek van de man gesproken. De gecertificeerde instelling heeft aangegeven dat er in het kader van de ondertoezichtstelling een nieuwe jeugdbeschermer betrokken is bij het gezin. Zij heeft zowel partijen als de kinderen nog niet gesproken. De aankomende periode zal de betrokken jeugdbeschermer (opnieuw) bekijken waar de veiligheidszorgen liggen en aan welke doelen er tijdens de ondertoezichtstelling moeten worden gewerkt. De vrouw heeft aangegeven dat de vorige jeugdbeschermer haar heeft aangegeven dat de gecertificeerde instelling de bezoeken van de kinderen aan de man in de gevangenis wil begeleiden. De vrouw staat hier achter. De (nieuwe) jeugdbeschermer heeft op de zitting bevestigd dat zij de regie wil met betrekking tot de contactmomenten tussen de man en de kinderen. Gelet op de jonge leeftijd van de kinderen, de verstoorde verhouding tussen partijen en de beveiligde omgeving waar de vrouw op dit moment met de kinderen verblijft, is de rechtbank met de gecertificeerde instelling van oordeel dat het in het belang van de kinderen is dat de contactmomenten tussen de man en de kinderen onder regie en begeleiding van de gecertificeerde instelling worden uitgevoerd. Daarbij zal de rechtbank geen zorgregeling vaststellen, welke geldt na de detentie van de man, omdat de huidige stand van zaken is dat de man in detentie zit tot begin 2030.

Kinderalimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

De vrouw verzoekt een kinderalimentatie van € 500,- per maand per kind vast te stellen, te betalen door de man aan de vrouw. Hoewel de man inmiddels in detentie zit, heeft hij volgens de vrouw nog steeds een inkomen. Zelf ontvangt de vrouw een ziektewetuitkering.

De man stelt dat hij, gelet op zijn detentie, geen inkomen genereert en daarom geen bijdrage kan leveren in de verzorging en opvoeding van de kinderen.

De rechtbank overweegt als volgt. De man zit in beginsel in detentie tot begin 2030. Gelet daarop acht de rechtbank het aannemelijk dat de man totdat hij vrijkomt geen inkomen kan verwerven. Echter, nu de man geen inzicht heeft gegeven in zijn inkomen en vermogen gaat de rechtbank uit van een minimale draagkracht van € 50,- per maand (voor twee kinderen). De rechtbank zal daarom bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van deze beschikking, een kinderalimentatie zal betalen van € 50,- per maand.

Toedeling huurrecht echtelijke woning

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning aan de man en wordt dit verzoek volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.

Inhoudelijk beoordeling

De rechtbank is gebleken dat beide partijen niet langer woonachtig zijn in de echtelijke woning en dat deze woning ook niet langer door hen wordt gehuurd. Gelet daarop zal de rechtbank het verzoek van de man om het huurrecht van de echtelijke woning aan hem toe te delen bij gebrek aan belang afwijzen.

Verdeling huwelijksgemeenschap

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels, verder: de Verordening).

Niet is gesteld of gebleken dat partijen ten aanzien van het huwelijksvermogensstelsel een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht. Krachtens artikel 26, eerste lid, onder a van de Verordening wordt het huwelijksvermogensstelsel beheerst door het Nederlandse recht, gelet op hun eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats in Nederland.

Beperkte gemeenschap van goederen

Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Zij zijn op of na 1 januari 2018 met elkaar gehuwd, zodat gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen bestond.

De rechtbank overweegt dat nu partijen gehuwd zijn in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, de ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:94, lid 2 en lid 7 BW bestaat uit de goederen en schulden die voor het huwelijk reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen. Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.

Peildatum

Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 17 april 2025, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid dit met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.

Omvang

Door partijen zijn de volgende bestanddelen van de gemeenschap naar voren gebracht:

  • de inboedel;
  • de auto (Volkswagen Tiguan);
  • het saldo op bankrekeningen/spaarrekeningen;
  • de schuld bij de kinderopvang;
  • de onderneming van de man ‘[bedrijfsnaam 1] B.V.’;
  • de onderneming van de vrouw ‘[bedrijfsnaam 2] B.V.’.

Ad 1. De inboedel

Tijdens de zitting heeft de vrouw aangegeven – zo begrijpt de rechtbank – dat de inboedel niet langer verdeeld behoeft te worden, zodat de rechtbank op dit punt geen beslissing meer behoeft te nemen.

Ad 2. De auto

De vrouw stelt dat de man eigenaar is van de Volkswagen Tiguan. Zij verzoekt deze auto aan de man toe te delen, onder vergoeding van de helft van de waarde hiervan aan de vrouw.

De man heeft aangegeven dat een vriendin van hem de eigenaar is van de Volkswagen Tiguan. Deze auto dient dan ook niet te worden betrokken in de verdeling.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw, gelet op de betwisting door de man, onvoldoende met stukken heeft onderbouwd dat de Volkswagen Tiguan in de gemeenschap valt en wat de waarde daarvan zou zijn. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen.

Ad 3. Het saldo op de bankrekeningen/spaarrekeningen

De vrouw stelt dat de gemeenschap het saldo op de bankrekeningen omvat.

De man heeft aangegeven dat er een verdeling dient plaats te vinden over het (negatieve) saldo op de bankrekeningen. Daarbij houdt de vrouw volgens de man een spaarrekening van de kinderen achter.

De rechtbank overweegt dat partijen op geen enkele manier inzicht hebben verschaft met betrekking tot de bankrekeningen/spaarrekeningen die op hun naam staan, dan wel op de naam van één van de kinderen, en het bijbehorende saldo. De rechtbank zal de verzoeken van partijen als onvoldoende concreet afwijzen.

Ad 4. De schuld bij de kinderopvang

De vrouw stelt dat er een schuld is bij de kinderopvang, waarvoor partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn. De man heeft het bestaan van deze schuld niet betwist.

De rechtbank overweegt dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen, omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide partijen tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW.

De rechtbank overweegt dat de vrouw het bestaan van de schuld niet heeft onderbouwd. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat de gestelde schuld bestaat. Echter, indien en voorzover er een schuld is en deze schuld is ontstaan vóór de peildatum, is het uitgangspunt dat beide partijen hiervoor aansprakelijk zijn.

Ad 5. De onderneming van de man ‘[bedrijfsnaam 1] B.V.’

De vrouw stelt dat de man, al dan niet op eigen naam, een bedrijf heeft met de naam [bedrijfsnaam 1] B.V. Dat bedrijf houdt zich volgens de vrouw bezig met het opkopen van huizen en terreinen met het doel deze te gaan verhuren of verkopen.

De rechtbank overweegt dat de vrouw haar stelling dat de gemeenschap voornoemd bedrijf van de man omvat, welke rechtsvorm de onderneming heeft, en wat de waarde daarvan zou zijn, onvoldoende (met stukken) heeft onderbouwd. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen.

Ad 6. De onderneming van de vrouw ‘[bedrijfsnaam 2] B.V.’

De man stelt dat de vrouw een bedrijf heeft in [land] met de naam [bedrijfsnaam 2] B.V. Dat bedrijf houdt zich volgens de man bezig met het verhuren van lockers. De man heeft aangegeven dat hij deze lockers tijdens het huwelijk aan de vrouw heeft gegeven. Volgens de man zijn de lockers € 150.000,- waard.

De vrouw erkent dat zij lockers heeft op [land], maar dat de onderneming niet van de grond is gekomen. Daarbij stelt de vrouw dat zij deze lockers vóór het huwelijk in haar bezit heeft gekregen. De lockers vallen volgens de vrouw dan ook niet in de gemeenschap.

De rechtbank overweegt dat haar niet duidelijk is geworden of de vrouw een B.V. heeft of alleen lockers, wanneer de vrouw deze lockers in haar bezit heeft gekregen en wat de waarde is van de lockers. De man heeft hier geen stukken van overgelegd. De rechtbank zal het verzoek van de man als onvoldoende concreet afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen de vrouw en de man, met elkaar gehuwd op [datum] 2022 te [land];

*

bepaalt dat de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats];

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats];

hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw;

*

bepaalt als verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat de contactmomenten tussen de man en de kinderen plaatsvinden in de gevangenis waar de man verblijft, onder regie en begeleiding van de gecertificeerde instelling;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van deze beschikking, te weten 16 september 2026, een kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen van € 50,- per maand (in totaal) zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:

bepaalt dat indien en voorzover sprake is van een schuld bij de kinderopvang en deze schuld is ontstaan vóór de peildatum, te weten 17 april 2025, in de onderlinge verhouding tussen partijen elk van hen de helft van deze schuld voor zijn/haar rekening dient te nemen;

*

verklaart deze beschikking – met uitzondering van de echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 16 september 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.