Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 15 september 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30398Zaaknummer C/09/684365 / FA RK 25-3190

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15 september 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
C/09/684365 / FA RK 25-3190
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, [datum] 2022 te [plaats 1];

*

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;

*

bepaalt dat [minderjarige] bij de man zal zijn:

  • zolang [minderjarige] nog niet naar de basisschool gaat, eenmaal per veertien dagen vanaf vrijdag 17.00 uur tot maandag 17.00 uur;
  • nadat [minderjarige] in juni 2027 met de basisschool is gestart, eenmaal per veertien dagen vanaf vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur;

waarbij de vrouw [minderjarige] naar de man brengt en de man [minderjarige] naar de vrouw brengt;

bepaalt ten aanzien van de verdeling van de vakanties en feestdagen dat [minderjarige] als volgt bij de ouders is:

- zomervakantie:

  • totdat [minderjarige] zes jaar is: week 1 bij de man, week 2 en 3 bij de vrouw, week 4 en 5 bij de man en week 6 bij de vrouw;
  • vanaf het moment dat [minderjarige] zes jaar is: drie aaneengesloten weken bij de man en drie aaneengesloten weken bij de vrouw, waarbij in de even jaren de man de eerste keuze heeft en in de oneven jaren de vrouw de eerste keuze heeft;

- overige vakanties en feestdagen:

  • totdat [minderjarige] naar de basisschool gaat: conform de reguliere zorgregeling, tenzij in onderling overleg andere afspraken worden gemaakt;
  • vanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat:

- schoolvakanties korter dan twee weken en feestdagen: conform de reguliere zorgregeling, tenzij in onderling overleg andere afspraken worden gemaakt;

- schoolvakanties van twee weken: één aaneengesloten week bij de man en één aaneengesloten week bij de vrouw, waarbij in de even jaren de man de eerste keuze heeft en in de oneven jaren de vrouw de eerste keuze heeft;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 176,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

stelt de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:

1. met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening bij ING Bank:

- de woning wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

(a) partijen verstrekken uiterlijk binnen één week na heden een gezamenlijke opdracht aan [makelaarskantoor 1] te [plaats 4] tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de vrouw de woning zal overnemen;

(b) de vrouw dient binnen twee maanden na de taxatie aan de man aan te tonen dat zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening;

(c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht;

(d) de taxatiekosten worden door de man voldaan;

(e) de kosten van de notariële overdracht worden door de vrouw als kosten koper, voldaan;

(f) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;

- indien de vrouw de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

(a) partijen verstrekken binnen één week nadat de onder 1. (b) genoemde termijn is verstreken of nadat de vrouw kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;

(b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht;

(c) de taxatiekosten worden door de man voldaan;

(d) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;

2. bepaalt dat partijen de inboedel in onderling overleg zullen verdelen;

3. aan de vrouw worden toegedeeld:

a. de rechten op en uit de polis van overlijdensrisicoverzekering bij Allianz Nederland Levensverzekering met polisnummer [nummer], zonder nadere verrekening met de man;

b. de ING en/of betaalrekening ten name van partijen met nummer [rekeningnummer 3], onder verplichting voor de vrouw om de helft van het saldo per de datum van de overdracht/levering van de echtelijke woning aan haar of aan een derde, aan de man te vergoeden;

c. de ING Oranje spaarrekening ten name van partijen met nummer [rekeningnummer 4], onder verplichting voor de vrouw om de helft van het saldo per de datum van de overdracht/levering van de echtelijke woning aan haar of aan een derde, aan de man te vergoeden;

d. de ABN AMRO privérekening ten name van de vrouw met nummer [rekeningnummer 6], onder verrekening met de man van het positieve verschil van het saldo op de peildatum (28 april 2025) ten opzichte van het saldo op de huwelijksdatum ( [datum] 2022) en onder verplichting voor de vrouw om de man daarvan inzage te geven;

4. aan de man worden toegedeeld:

a. de ABN AMRO privérekening ten name van de man met nummer [rekeningnummer 1], onder verrekening met de vrouw van het positieve verschil van het saldo op de peildatum (28 april 2025) ten opzichte van het saldo op de huwelijksdatum ( [datum] 2022) en onder verplichting voor de man om de vrouw daarvan inzage te geven;

b. de ABN AMRO Direct spaarrekening ten name van de man met nummer [rekeningnummer 2] onder verrekening met de vrouw van het positieve verschil van het saldo op de peildatum (28 april 2025) ten opzichte van het saldo op de huwelijksdatum ( [datum] 2022) en onder verplichting voor de man om de vrouw daarvan inzage te geven;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

verklaart deze beschikking, met uitzondering van de beslissing met betrekking tot de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr I.E. Moerkerk-van Kersbergen als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 15 september 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Echtscheiding met nevenvoorzieningen
  2. Procedure
  3. Feiten
  4. Verzoek en verweer
  5. Beoordeling
  6. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummers: FA RK 25-3190 (echtscheiding) en FA RK 25-9477 (verdeling)

Zaaknummers: C/09/684365 (echtscheiding) en C/09/696144 (verdeling)

Datum beschikking: 15 september 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 28 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. C.J. de Jongh-Moolenaar te Sassenheim, gemeente Teylingen.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. F.D. van Damme te Beverwijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift;
  • het bericht van 30 april 2025 van de vrouw;
  • het F9 formulier van 30 april 2025 met bijlagen van de vrouw;
  • het F9 formulier van 6 mei 2025 met bijlage van de vrouw;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;
  • het F9 formulier van 1 oktober 2025 van de man;
  • het F9 formulier van 2 oktober 2025 met bijlage van de man;
  • het bericht van 27 oktober 2025 van de vrouw;
  • het verweer tegen het zelfstandig verzoek, tevens houdende aanvullend verzoek;
  • het F9 formulier van 26 november 2025 met bijlage van de vrouw;
  • het F9D bericht van 23 juli 2026 met bijlagen van de vrouw;
  • het F9D bericht van 23 juli 2026 met bijlagen van de vrouw;
  • het F9D bericht van 23 juli 2026 met bijlagen van de vrouw;
  • het verweerschrift tegen aanvullend verzoekschrift van de vrouw d.d. 21 november 2025 tevens houdende wijziging van de door de man verzochte nevenvoorziening;
  • het F9D bericht van 24 juli 2026 met bijlagen van de man.

Op 3 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • de vrouw met haar advocaat;
  • de man met zijn advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Na de zitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- het F9D formulier van 4 augustus 2026 met bijlage van de man;

- het F9D formulier van 5 augustus 2026 met bijlage van de vrouw.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2022 te [plaats 1].

- Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats].

- [minderjarige] verblijft op dit moment bij de vrouw.

- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.

- Bij beschikking van 9 mei 2025 van deze rechtbank is aan de vrouw vervangende toestemming verleend om met [minderjarige] naar [plaats 2] te reizen van 12 mei 2025 tot 29 mei 2025.

- Deze rechtbank heeft op 9 juli 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende:

  • dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres] met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
  • dat [minderjarige] aan de vrouw zal worden toevertrouwd;
  • dat de man voorlopig gerechtigd is om [minderjarige] bij zich te hebben:

- in de ene week van zaterdag 18.00 uur tot maandag 17.00 uur en in de andere week op maandag van 8.00 uur tot 17.00 uur;

- gedurende vakanties en feestdagen conform de reguliere zorgregeling, tenzij in onderling overleg andere afspraken gemaakt worden, met uitzondering van de kerstdagen 2025, waarbij [minderjarige] op tweede kerstdag bij de man zal zijn;

- op verjaardagen van de vader, opa en oma van vaderszijde en Vaderdag, in onderling overleg te bepalen;

- dat de man aan de vrouw met ingang 9 juli 2025 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt) van € 678,60 per maand, zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

- De rechtbank heeft op 25 november 2025 de voorlopige voorzieningen gewijzigd, voor zover hier van belang inhoudende dat de man aan de vrouw, met ingang van 25 november 2025, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 282,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

- Bij beschikking van 2 juli 2026 van deze rechtbank is aan de man vervangende toestemming verleend om met [minderjarige] naar [plaats 3], Frankrijk te reizen, in de periode van 4 juli 2026 tot en met 13 juli 2026 met veroordeling van de vrouw alle medewerking hieraan te verlenen waaronder in ieder geval begrepen de tijdige overdracht van [minderjarige] aan de man afgestemd op de reisplannen van de man en de afgifte van het identiteitsbewijs dan wel paspoort van [minderjarige] aan de man en met de bepaling dat:

  • de man iedere dag gedurende de vakantie een videobelmoment tussen de vrouw en [minderjarige] faciliteert;
  • de vrouw [minderjarige] aan de man zal overdragen op zaterdag 4 juli 2026 op een in nader onderling overleg te bepalen tijdstip, rekening houdend met de reisplannen van de man;
  • de vrouw uiterlijk op 3 juli 2026, het paspoort dan wel geldige reisdocument van [minderjarige] aan de vader zal afgeven.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw, zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw;

- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] zoals bij de voorlopige voorzieningen van 9 juli 2025 is bepaald, inhoudende dat de man [minderjarige] bij zich zal hebben de ene week van zaterdag 18:00 uur tot maandag 17:00 uur en de andere week op maandag 08:00 uur tot 17:00 uur en gedurende de vakanties volgens de reguliere zorgregeling, tenzij de ouders in onderling overleg andere afspraken maken en waarbij omgang op verjaardagen van de man, opa en oma vaderszijde en op Vaderdag in onderling overleg wordt bepaald en met de bepaling dat de omgang tussen de man en [minderjarige] zal plaatsvinden binnen een

kilometerafstand van 50 km vanaf de woonplaats van [minderjarige] bij de vrouw, waarbij de man [minderjarige] bij de vrouw ophaalt en weer bij de vrouw thuisbrengt;

- vaststelling van een door de man aan de vrouw ten behoeve van [minderjarige] met ingang van 1 mei 2025 te betalen kinderalimentatie van € 678,60 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen door overschrijving van het gehele bedrag naar een door de vrouw aan te wijzen bankrekening, althans een zodanige bijdrage als de rechtbank juist acht;

- voor zover de rechtbank een door de vrouw aan de man te betalen partneralimentatie vast zou stellen, verklaring voor recht dat artikel 1:157 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet van toepassing is en limitering van de door de vrouw te betalen partneralimentatie tot een periode van maximaal 3 maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, althans tot een periode ten hoogste gelijk aan de helft van de duur van het huwelijk op grond van artikel 1:157 lid 1 BW;

- vaststelling van de verdeling van de woning aldus dat de woning zal worden toegedeeld aan de vrouw op basis van de taxatiewaarde van € 625.000,- onder de verplichting de restant hypotheekschuld per datum verdeling over te nemen en de man het hem toekomende deel van de overwaarde (50%) gebaseerd op de voornoemde taxatiewaarde minus de totale hypotheekschuld en de kosten van de makelaar, de bank en de notaris, te betalen en hem te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van de hypotheekschuld;

- bepaling dat de man binnen vier weken na inschrijving van de echtscheiding in het register van de burgerlijke stand zijn volledige medewerking zal verlenen aan de toedeling van de woning aan de vrouw waarbij volledige medewerking moet worden gezien in de breedste zin van het woord, tenminste inhoudende: alle handelingen te verrichten, die noodzakelijk zijn voor levering/verdeling van de woning aan de vrouw binnen drie maanden na inschrijving van de echtscheiding en mee te werken aan de levering van de echtelijke woning aan de vrouw via de notaris, waaronder het tekenen van de noodzakelijke akten of een volmacht binnen een termijn van vier weken nadat de notaris de akte ter ondertekening gereed heeft;

- bepaling dat indien en voor zover de man niet meewerkt aan het bovenstaande binnen de gestelde termijnen, aan de vrouw vervangende toestemming wordt verleend om namens de man de noodzakelijke akte van levering/verdeling van de woning te ondertekenen en namens de man alle overige handelingen te verrichten die voor deze verdeling noodzakelijk zijn;

- bepaling dat de polis bij Allianz, verbonden aan de hypotheek, aan de vrouw wordt toegedeeld zonder verdere verrekening;

- bepaling dat, alleen en voor zover de woning niet wordt toegedeeld aan de vrouw, de vrouw gerechtigd is om de woning te blijven bewonen tot zes maanden na de inschrijving van de echtscheiding althans tot aan de datum van levering van de woning op welke wijze dan ook;

- veroordeling van de man tot het betalen aan de vrouw van een dwangsom van € 100,- per dag of dagdeel waarop hij niet volledig aan de ten deze te wijzen beschikking of een deel daarvan te voldoet;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Bovendien heeft de man na wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw;

- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige], in die zin dat [minderjarige] bij de man is:

Regulier

- in de periode tot de zomervakantie 2027 gedurende éénmaal per 14 dagen (in de even weken) van vrijdag 8:30 uur tot maandag 17:00 uur waarbij de man [minderjarige] op vrijdag bij de vrouw ophaalt en de vrouw haar op zondag bij de man ophaalt;

- na de start van de schoolgang van [minderjarige] per juni 2027 gedurende éénmaal per 14 dagen (in de even weken) van vrijdagmiddag na school tot zondag 17:30 uur, waarbij de man [minderjarige] op vrijdag bij de vrouw ophaalt en de vrouw haar op zondag bij de man ophaalt;

Vakantieregeling

- Zomervakanties:

gedurende de helft (50%) van de zomervakanties waarbij de concrete dagen en tijdstippen per jaar in onderling overleg worden vastgesteld en wel uiterlijk 1 april van het betreffende jaar.

- Overige vakanties:

conform de reguliere zorgregeling, tenzij de ouders in voorkomend geval voor één of meer van die vakanties in onderling overleg afwijkende afspraken hebben gemaakt en schriftelijk hebben vastgelegd.

- bepaling dat als peildatum voor de omvang en samenstelling van de ontbonden beperkte huwelijksgoederengemeenschap zal gelden 28 april 2025;

- bepaling dat als peildatum voor waardering van de (bestanddelen van) de ontbonden beperkte huwelijksgoederengemeenschap de datum van de verdeling (uitspraak) zal gelden;

- bepaling dat de woning aan het adres [adres] wordt verkocht, alsook ofwel [makelaarskantoor 1] te [plaats 4], danwel [makelaarskantoor 2] te [plaats 4] krachtens artikel 194 jo 198 lid 2 Rv als deskundige te benoemen die genoemd woonhuis namens partijen te koop zal zetten tegen een door die deskundige in overleg met partijen te bepalen vraagprijs (exclusief kosten koper);

- bepaling dat de kosten van de in hiervoor bedoelde deskundige op basis van 50%-50% door ieder der partijen als eigen schuld zullen worden gedragen;

- bepaling dat zolang de hiervoor bedoelde woning te koop staat, partijen de adviezen c.q. aanwijzingen van de door de rechtbank te benoemen deskundige met betrekking tot de vraagprijs van die woning c.q. het zo nodig wederom bijstellen van de vraagprijs van die woning c.q. met betrekking tot de onderhandelingen met een potentiële koper, opvolgen;

- veroordeling van de vrouw om:

- bij/aan/in de hiervoor bedoelde woning een door de hiervoor bedoelde makelaar te verstrekken bord /en of raambiljet “Te Koop te plaatsen en/of geplaatst te houden;

- in de (voor)tuin van de hiervoor bedoelde woning een door de hiervoor bedoelde makelaar te verstrekken bord “Te Koop" te plaatsen en/of geplaatst te houden;

- potentiële kopers (en hun makelaar) toegang te verschaffen tot de hiervoor bedoelde woning teneinde deze woning te bezichtigen;

- alle medewerking te verlenen aan de door de hiervoor bedoelde makelaar te

organiseren “Open Huizen Route", waaronder uitdrukkelijk begrepen doch niet beperkt tot het aan potentiële kopers (en hun makelaar) verschaffen van toegang tot de hiervoor bedoelde woning teneinde deze woning te bezichtigen;

- veroordeling van de vrouw om binnen 5 werkdagen de koopakte te ondertekenen nadat er met een koper overeenstemming is bereikt over verkoop van de hiervoor bedoelde woning, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag of dagdeel dat de vrouw in gebreke is aan een daartoe veroordelende beschikking uitvoering te geven;

- veroordeling van de vrouw om ten behoeve van de goederenrechtelijke levering van de hiervoor bedoelde woning aan de nieuwe eigenaar/ eigenaren uiterlijk op de datum van die goederenrechtelijke levering alle daartoe benodigde feitelijke en rechtshandelingen te verrichten, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag of dagdeel dat de vrouw in gebreke is aan een daartoe veroordelende beschikking uitvoering te geven;

- bepaling dat de polis overlijdensrisicoverzekering bij Allianz met polisnummer [nummer] uiterlijk per de datum van de goederenrechtelijke levering van de hiervoor bedoelde woning aan de nieuwe eigenaar/ eigenaren, wordt opgezegd, alsook veroordeling van de vrouw om ten behoeve van de opzegging binnen 7 dagen na de datum van afgifte door de rechtbank van de verdelingsbeschikking, alle benodigde feitelijke en rechtshandelingen te verrichten, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag of dagdeel dat de vrouw in gebreke is aan een daartoe veroordelende beschikking uitvoering te geven;

- bepaling dat de navolgende bankrekeningen:

- ABN AMRO privérekening ten name van de man met nummer [rekeningnummer 1];

- ABN AMRO Direct spaarrekening ten name van de man met nummer [rekeningnummer 2];

aan de man worden toebedeeld, alsook te bepalen dat de vrouw ten titel van onderbedeling aanspraak heeft op betaling door de man aan haar van de helft van de creditsaldi zoals die luiden per 28 april 2025, althans dat man ten titel van onderbedeling aanspraak heeft op betaling door de vrouw aan hem van de helft van de debetsaldi zoals die luiden per 28 april 2025;

- bepaling dat de navolgende bankrekeningen:

- ING en/ of betaalrekening ten name van partijen met nummer [rekeningnummer 3];

- ING Oranje spaar rekening ten name van partijen met nummer [rekeningnummer 4];

- ABN AMRO privérekening ten name van verzoekster met nummer [rekeningnummer 5];

aan de vrouw worden toebedeeld alsook bepaling dat de man ten titel van onderbedeling aanspraak heeft op betaling door de vrouw aan hem van de helft van het creditsaldi zoals die luiden per 28 april 2025, althans dat de man de helft van het debetsaldi zoals die luiden per 28 april 2025 aan de vrouw dient te vergoeden;

- veroordeling van de vrouw om binnen 2 dagen na betekening van de te dezen af te geven beschikking een deugdelijk en inzichtelijk dagafschriften aan de man te verstrekken waaruit het saldo van de ABN AMRO privérekening ten name van de vrouw met nummer [rekeningnummer 6] per 28 april 2025 blijkt, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag of ieder dagdeel dat de vrouw aan een daartoe veroordelende beschikking geen uitvoering geeft, zulks met een maximum van € 5.000,-;

- bepaling dat dat de inboedel aan het adres [adres] bij gelijke heften wordt verdeeld;

- ingeval de rechtbank de woning aan de vrouw toedeelt, bepaling dat de waardestijging van de woning tussen de datum van overname/toedeling aan de vrouw en de datum van een eventuele latere doorverkoop door de vrouw aan een derde, bij helfte tussen partijen wordt verdeeld;

- Primair:

bepaling dat de vrouw aan de man per de datum van ontbinding van het huwelijk een gebruiksvergoeding betaalt voor het exclusief gebruik van de echtelijke woning te [adres] die wordt vastgesteld conform de jurisprudentie van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch op 4% van de helft van de overwaarde van voormelde woning op jaarbasis, nader te bepalen aan de hand van een door de rechtbank te benoemen deskundige of een door partijen gezamenlijk uit te brengen taxatierapport, waarbij:

- de overwaarde wordt berekend als het verschil tussen de getaxeerde waarde en de uitstaande hypothecaire geldlening;

- het rendementspercentage van 4% wordt gehanteerd conform de vaste jurisprudentie van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch;

Subsidiair:

bepaling dat de vrouw aan de man een door de rechtbank in goede justitie te bepalen gebruiksvergoeding en met ingang van een in goede justitie te bepalen datum betaalt;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding

Ontvankelijkheid

Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan.

De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om op alle punten ten aanzien van de minderjarige [minderjarige] tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding.

Inhoudelijke beoordeling

Beide ouders stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de daarop steunende, over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond kunnen worden toegewezen.

Hoofdverblijfplaats

De ouders zijn het erover eens dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw zal zijn. De rechtbank zal overeenkomstig deze overeenstemming van de ouders beslissen. Daarbij overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich daartegen verzet.

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Reguliere zorgregeling

De ouders zijn het erover eens dat [minderjarige] eenmaal per veertien dagen tijdens het weekend bij de man zal zijn en wel zolang [minderjarige] nog niet naar de basisschool gaat, tot maandag 17.00 uur en als [minderjarige] in juni 2027 is gestart op de basisschool, tot zondag 17.30 uur.

Tussen de ouders is het aanvangstijdstip van het omgangsweekend in geschil. De vader verzoekt om te bepalen dat [minderjarige] vanaf vrijdagochtend 8.30 uur bij hem is en als zij is gestart met de basisschool, vanaf vrijdag uit school, terwijl de vrouw wenst dat [minderjarige] pas op zaterdag aan het einde van de ochtend naar de man gaat. Verder is tussen de ouders in discussie hoe zij het halen en brengen van [minderjarige] gaan regelen.

De vrouw voert aan dat [minderjarige] ieder zaterdagochtend naar balletles in [plaats 4] gaat en daar veel plezier in heeft. De vrouw stelt daarom voor dat [minderjarige] op zaterdag aan het einde van de ochtend naar de man gaat. Daarbij is voor de vrouw ook van belang dat zij altijd op vrijdag haar vrije dag heeft en dan tijd met [minderjarige] wil doorbrengen. De vrouw is verder van mening dat van de man mag worden verlangd dat hij zorg draagt voor het halen én brengen van [minderjarige] omdat het zijn keuze was om ver bij [minderjarige] vandaan – de afstand [plaats 4] [plaats 5] is ruim 80 kilometer  te gaan wonen.

De man stelt dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij voldoende tijd bij haar beide ouders kan doorbrengen. Een omgangsweekend dat pas op zaterdagmiddag begint, is volgens de man te kort. Als [minderjarige] naar school gaat, zal hij zijn vrije maandag verplaatsen naar de vrijdag. Het is voor hem geen probleem om op zaterdag heen en weer te rijden naar [plaats 4] zodat [minderjarige] naar balletles kan blijven gaan. De man gaat er daarbij van uit dat de vrouw [minderjarige] op vrijdag naar hem brengt en dat hij [minderjarige] op maandag, en als zij naar school gaat op zondag, weer naar de vrouw brengt.

Volgens de raadvertegenwoordiger is, zodra [minderjarige] naar de basisschool gaat, gezien de reisafstand, een weekendregeling met de man de enige optie. Daarbij is het voor [minderjarige] niet aan te raden om na een autorit op vrijdag, op zaterdag voor de balletles weer een autorit heen en weer van [plaats 5] naar [plaats 4] te maken. De raadsvertegenwoordiger heeft verder benoemd dat het brengen van [minderjarige] naar de andere ouder een fysieke toestemming inhoudt die belangrijk voor [minderjarige] is.

De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is om bij de man te zijn:

  • zolang [minderjarige] nog niet naar de basisschool gaat, eenmaal per veertien dagen vanaf vrijdag 17.00 uur tot maandag 17.00 uur;
  • nadat [minderjarige] in juni 2027 met de basisschool is gestart, eenmaal per veertien dagen vanaf vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur;

waarbij de vrouw [minderjarige] naar de man brengt en de man [minderjarige] naar de vrouw brengt.

De rechtbank overweegt daarbij nog het volgende. Ook al geniet [minderjarige] van de balletles op zaterdagochtend, de rechtbank vindt het belangrijker dat zij tijd met haar vader doorbrengt.

De rechtbank vindt het verder in het belang van [minderjarige] dat beide ouders een aandeel hebben in het halen en brengen. Voor [minderjarige] is het belangrijk om te weten dat beide ouders positief staan tegenover het contact met de andere ouder. Door de vrouw net als de man een aandeel in het halen en brengen te geven, komt dit tot uitdrukking.

De rechtbank houdt vast aan de zorgregeling zoals die al lange tijd loopt, waarbij rekening is gehouden met de vaste vrije dag van de vrouw op de vrijdag.

Vakantie- en feestdagenregeling

Tussen partijen is de vakantie- en feestdagen regeling in geschil. De rechtbank ziet aanleiding om een concrete regeling voor de verdeling van de vakanties en feestdagen vast te stellen, waarbij [minderjarige] als volgt bij de ouders is:

- zomervakantie:

  • totdat [minderjarige] zes jaar is: week 1 bij de man, week 2 en 3 bij de vrouw, week 4 en 5 bij de man en week 6 bij de vrouw;
  • vanaf het moment dat [minderjarige] zes jaar is: drie aaneengesloten weken bij de man en drie aaneengesloten weken bij de vrouw, waarbij in de even jaren de man de eerste keuze heeft en in de oneven jaren de vrouw de eerste keuze heeft;

- overige vakanties en feestdagen:

  • totdat [minderjarige] naar de basisschool gaat: conform de reguliere zorgregeling, tenzij in onderling overleg andere afspraken worden gemaakt;
  • vanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat:

- schoolvakanties korter dan twee weken en feestdagen: conform de reguliere zorgregeling, tenzij in onderling overleg andere afspraken worden gemaakt;

- schoolvakanties van twee weken: één aaneengesloten week bij de man en één aaneengesloten week bij de vrouw, waarbij in de even jaren de man de eerste keuze heeft en in de oneven jaren de vrouw de eerste keuze heeft.

Kinderalimentatie

De hoogte van de kinderalimentatie moet worden afgestemd op de behoefte van [minderjarige] en op de draagkracht van de ouders. Bij het vaststellen van deze behoefte en draagkracht gebruikt de rechtbank de aanbevelingen van de landelijke expertgroep van rechters die zijn vastgelegd in het Rapport alimentatienormen.

Behoefte

De ouders zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige] in 2024 € 880,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 980,- per maand. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat rekening gehouden moet worden met behoefte verhogende kosten ten bedrage van € 420,- voor kinderopvang, gaat de rechtbank aan dit standpunt voorbij. Uit een door de rechtbank gemaakte proefberekening volgt dat de kosten voor het kinderdagverblijf volledig worden gedekt door de kinderopvangtoeslag, nu zij deze ontvangt omdat de man zich heeft uitgeschreven van het adres van de voormalig echtelijke woning. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de behoefte met deze kosten te verhogen.

Draagkracht vrouw

Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 6.221,39 bruto per maand exclusief vakantiegeld, te vermeerderen met een benefit budget van € 768,15 bruto per maand en een onkostenvergoeding van € 61,- per maand. De rechtbank baseert zich daarbij op de door de vrouw overgelegde salarisstroken over de maanden mei tot en met juli 2026.

Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.

De rechtbank houdt verder rekening met:

  • de pensioenpremie van € 247,32 per maand;
  • WGA gediff. van € 46,32 per maand;

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 5.112,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. Ten aanzien van de aan de vrouw toekomende toeslagen overweegt de rechtbank dat de man na de zitting een stuk heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij zich per 3 augustus 2026 heeft uitgeschreven op het adres van de echtelijke woning.

De rechtbank houdt bij de berekening van de draagkracht ook rekening met de volgende niet betwiste lasten van de vrouw:

  • luxe bijdrage auto van € 200,- per maand;
  • klasse hoger auto bijdrage € 100,- per maand;
  • inhouding ssp € 337,51 per maand.

Dit is in totaal € 637,- per maand.

Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,- + € 637,-)] gebruiken.

De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [5.112 – (1.533 + 1.365 + 637)] = € 1.103,- per maand.

Draagkracht man

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 46.656,- bruto per jaar, inclusief vakantiegeld. De rechtbank baseert zich daarbij op de door de man overgelegde loonstroken over de maanden april tot en met juni 2026, waarop een jaarloon BT vermeld staat. Verder houdt de rechtbank rekening met een pensioenpremie van € 130,- per maand.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 3.056,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de man ook hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [3.056 – (917 + 1.365)] = € 542,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van de ouders bedraagt gezamenlijk € 1.645,- per maand

(€ 1.103,- + € 542,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] (€ 980,-) te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het eigen aandeel van de man bedraagt: 542 / 1.645 x 980 = € 323,-

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1.103 / 1.645 x 980 = € 657,-

samen € 980,-

Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 323,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 657,- per maand komt voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

Gelet op de vast te stellen zorgregeling, waarbij de rechtbank zal anticiperen op de situatie waarin [minderjarige] naar de basisschool gaat, geldt een percentage van 15. De zorgkorting bedraagt dan € 147,- per maand ((15% van € 980,-).

De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man betalen bijdrage bedraagt dan € 176,- per maand.

Conclusie

Uitgaande van het bovenstaande zal de rechtbank de door de man met ingang van de datum van deze beschikking aan te vrouw te betalen kinderalimentatie bepalen op € 176,- per maand.

Het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinderalimentatie zal de rechtbank afwijzen.

Verdeling

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2022. Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Zij zijn op of na 1 januari 2018 met elkaar gehuwd, zodat gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen bestond.

De rechtbank overweegt dat nu de echtgenoten gehuwd zijn in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:94, lid 2 en lid 7 BW bestaat uit de goederen en schulden die voor het huwelijk reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen.

Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.

Peildatum

De peildatum voor de bepaling van de omvang van de te verdelen ontbonden huwelijksgoederengemeenschap is 28 april 2025, te weten de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen bestanddelen geldt in beginsel de datum van feitelijke verdeling, tenzij partijen anders overeenkomen of tenzij daarvan op basis van de redelijkheid en billijkheid moet worden afgeweken.

Omvang van de huwelijksgoederengemeenschap

De man en de vrouw hebben de volgende goederen opgevoerd die op de peildatum aanwezig waren en in de verdeling betrokken moeten worden:

  • de echtelijke woning aan de [adres] en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening bij ING Bank;
  • de overlijdensrisicoverzekering bij Allianz Nederland Levensverzekering met polisnummer [nummer];
  • bankrekeningen:

a. ING en/of betaalrekening ten name van partijen met nummer [rekeningnummer 3];

b. ING Oranje spaar rekening ten name van partijen met nummer [rekeningnummer 4];

c. ABN AMRO privérekening ten name van de man met nummer [rekeningnummer 1];

d. ABN AMRO Direct spaarrekening ten name van de man met nummer [rekeningnummer 2];

e. ABN AMRO privérekening ten name van de vrouw met nummer [rekeningnummer 6];

4. inboedel.

Ad 1) echtelijke woning en hypothecaire geldlening

De vrouw wil de echtelijke woning toegedeeld krijgen, maar de man is van mening dat de echtelijke woning moet worden verkocht. Zoals op de zitting met partijen besproken, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw in de gelegenheid moet worden gesteld om de echtelijke woning over te nemen. Zij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij zeer waarschijnlijk financiering ten behoeve van de woning kan verkrijgen. Voor de dochter van het partijen is het ook prettig om in haar vertrouwde omgeving te kunnen verblijven en de rechtbank geeft daaraan voorrang boven het financiële belang van de man dat er bij verkoop aan een derde mogelijk een hogere verkoopopbrengst kan worden gerealiseerd.

De man en de vrouw zijn het niet eens over de waarde van de woning en de te volgen procedure. De vrouw heeft de woning op 14 april 2025 door [makelaarskantoor 3] te [plaats 4] laten taxeren op voor een marktwaarde van € 625.000,- en op 7 april 2026 nogmaals een taxatie laten uitvoeren waaruit een marktwaarde van € 640.000,- volgt. De man betwist de waarde die uit deze taxatierapporten volgt. Op de zitting heeft de man drie andere makelaar-taxateurs voorgesteld die de woning kunnen taxeren, waaruit de vrouw na de zitting er één heeft gekozen, te weten [makelaarskantoor 1] te [plaats 4].

De rechtbank ziet in hetgeen de man heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de gestelde taxatiewaarden. Nu de vrouw zich op de zitting bereid heeft getoond mee te werken aan een nieuwe taxatie onderdeel uitmaken van de toedeling van de echtelijke woning aan de vrouw op de wijze en onder de voorwaarden die hierna in het dictum zijn vermeld. Omdat de vrouw al tweemaal de taxatiekosten voor haar eigen rekening heeft genomen, neemt de rechtbank in het spoorboekje op dat de kosten voor de taxatie door [makelaarskantoor 1] voor rekening van de man komen.

Als de vrouw niet in staat blijkt om binnen de gestelde termijn aan de voorwaarden te voldoen, moet de woning worden verkocht aan een derde, eveneens op de wijze en onder de voorwaarden die hierna in het dictum zijn vermeld.

Omdat beide partijen belang hebben bij een voortvarende overdracht van de woning ziet de rechtbank geen aanleiding voor het opleggen van een dwangsom.

De rechtbank ziet evenmin aanleiding om een anti-speculatiebeding op te nemen zoals de man heeft verzocht, nu de door de man voorgestelde en door de vrouw gekozen makelaar-taxateur tussen partijen de waarde zal vaststellen waartegen de vrouw de woning zal overnemen. Ook bij een verkoop aan een derde wordt geen anti-speculatiebeding bedongen. Voor het vaststellen van een gebruiksvergoeding met ingang van de datum van ontbinding van het huwelijk zoals de man heeft verzocht, ziet de rechtbank geen aanleiding omdat de vrouw op korte termijn het aandeel van de man in de woning zal overnemen, danwel de woning aan een derde zal worden verkocht.

De rechtbank zal de verzoeken van de man op dit punt dan ook afwijzen.

Ad 2) polis Allianz

De man en de vrouw zijn het erover eens dat de overlijdensrisicoverzekering polis bij Allianz Nederland Levensverzekering aan de vrouw toegedeeld moet worden en dat een verrekening van de waarde tussen hen niet aan de orde is omdat er geen kapitaalopbouw plaatsvindt in een dergelijke verzekering.

Ad 3) bankrekeningen

De man en de vrouw zijn het erover eens dat de gemeenschappelijke bankrekening en de gemeenschappelijke spaarrekening bij ING bank aan de vrouw toegedeeld moeten worden, onder verplichting voor de vrouw om de helft van de saldi per de datum van de overdracht/levering van de echtelijke woning aan haar of aan een derde, aan de man te vergoeden. De rechtbank zal aldus bepalen.

Tussen de man en de vrouw is in geschil in hoeverre de saldi op de hiervoor genoemde eigen bank- en spaarrekeningen verrekend moeten worden. De vrouw stelt dat, omdat het om hun eigen bankrekeningen gaat, de saldi niet verdeeld behoeven te worden, terwijl de man heeft zich op het standpunt gesteld dat creditsaldi bij helfte tussen hen verdeeld moeten worden en debetsaldi bij helfte door hen gedragen moeten worden.

De rechtbank overweegt als volgt. Bij een beperkte gemeenschap van goederen is het wettelijk uitgangspunt dat de saldi die voor het huwelijk zijn opgebouwd privévermogen zijn en de saldi die partijen gedurende het huwelijk hebben verkregen in de beperkte gemeenschap van goederen vallen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de man en de vrouw elkaar over en weer inzage moeten geven in de banksaldi op de peildatum (28 april 2025) en op de huwelijksdatum ( [datum] 2022) en het (positieve) verschil bij helfte moeten verdelen. Omdat de rechtbank geen inzage heeft in de banksaldi van partijen op alle bovenstaande data, zal de rechtbank hier geen bedragen aan kunnen verbinden.

Ad 4) inboedel

De man en de vrouw zijn het erover eens dat zij de inboedel in onderling overleg zullen verdelen. De rechtbank zal aldus bepalen.

Voortgezet gebruik echtelijke woning

Nu de echtelijke woning aan de vrouw zal worden toegedeeld, komt de rechtbank niet toe aan de behandeling van het voorwaardelijk verzoek van de vrouw om toekenning van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, [datum] 2022 te [plaats 1];

*

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;

*

bepaalt dat [minderjarige] bij de man zal zijn:

  • zolang [minderjarige] nog niet naar de basisschool gaat, eenmaal per veertien dagen vanaf vrijdag 17.00 uur tot maandag 17.00 uur;
  • nadat [minderjarige] in juni 2027 met de basisschool is gestart, eenmaal per veertien dagen vanaf vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur;

waarbij de vrouw [minderjarige] naar de man brengt en de man [minderjarige] naar de vrouw brengt;

bepaalt ten aanzien van de verdeling van de vakanties en feestdagen dat [minderjarige] als volgt bij de ouders is:

- zomervakantie:

  • totdat [minderjarige] zes jaar is: week 1 bij de man, week 2 en 3 bij de vrouw, week 4 en 5 bij de man en week 6 bij de vrouw;
  • vanaf het moment dat [minderjarige] zes jaar is: drie aaneengesloten weken bij de man en drie aaneengesloten weken bij de vrouw, waarbij in de even jaren de man de eerste keuze heeft en in de oneven jaren de vrouw de eerste keuze heeft;

- overige vakanties en feestdagen:

  • totdat [minderjarige] naar de basisschool gaat: conform de reguliere zorgregeling, tenzij in onderling overleg andere afspraken worden gemaakt;
  • vanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat:

- schoolvakanties korter dan twee weken en feestdagen: conform de reguliere zorgregeling, tenzij in onderling overleg andere afspraken worden gemaakt;

- schoolvakanties van twee weken: één aaneengesloten week bij de man en één aaneengesloten week bij de vrouw, waarbij in de even jaren de man de eerste keuze heeft en in de oneven jaren de vrouw de eerste keuze heeft;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 176,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

stelt de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:

1. met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening bij ING Bank:

- de woning wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

(a) partijen verstrekken uiterlijk binnen één week na heden een gezamenlijke opdracht aan [makelaarskantoor 1] te [plaats 4] tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de vrouw de woning zal overnemen;

(b) de vrouw dient binnen twee maanden na de taxatie aan de man aan te tonen dat zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening;

(c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht;

(d) de taxatiekosten worden door de man voldaan;

(e) de kosten van de notariële overdracht worden door de vrouw als kosten koper, voldaan;

(f) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;

- indien de vrouw de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

(a) partijen verstrekken binnen één week nadat de onder 1. (b) genoemde termijn is verstreken of nadat de vrouw kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;

(b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht;

(c) de taxatiekosten worden door de man voldaan;

(d) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;

2. bepaalt dat partijen de inboedel in onderling overleg zullen verdelen;

3. aan de vrouw worden toegedeeld:

a. de rechten op en uit de polis van overlijdensrisicoverzekering bij Allianz Nederland Levensverzekering met polisnummer [nummer], zonder nadere verrekening met de man;

b. de ING en/of betaalrekening ten name van partijen met nummer [rekeningnummer 3], onder verplichting voor de vrouw om de helft van het saldo per de datum van de overdracht/levering van de echtelijke woning aan haar of aan een derde, aan de man te vergoeden;

c. de ING Oranje spaarrekening ten name van partijen met nummer [rekeningnummer 4], onder verplichting voor de vrouw om de helft van het saldo per de datum van de overdracht/levering van de echtelijke woning aan haar of aan een derde, aan de man te vergoeden;

d. de ABN AMRO privérekening ten name van de vrouw met nummer [rekeningnummer 6], onder verrekening met de man van het positieve verschil van het saldo op de peildatum (28 april 2025) ten opzichte van het saldo op de huwelijksdatum ( [datum] 2022) en onder verplichting voor de vrouw om de man daarvan inzage te geven;

4. aan de man worden toegedeeld:

a. de ABN AMRO privérekening ten name van de man met nummer [rekeningnummer 1], onder verrekening met de vrouw van het positieve verschil van het saldo op de peildatum (28 april 2025) ten opzichte van het saldo op de huwelijksdatum ( [datum] 2022) en onder verplichting voor de man om de vrouw daarvan inzage te geven;

b. de ABN AMRO Direct spaarrekening ten name van de man met nummer [rekeningnummer 2] onder verrekening met de vrouw van het positieve verschil van het saldo op de peildatum (28 april 2025) ten opzichte van het saldo op de huwelijksdatum ( [datum] 2022) en onder verplichting voor de man om de vrouw daarvan inzage te geven;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

verklaart deze beschikking, met uitzondering van de beslissing met betrekking tot de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr I.E. Moerkerk-van Kersbergen als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 15 september 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.