Burgerlijk Wetboek Boek 3

BW

Huidige tekst

Artikel 3:246 BW

Inningsbevoegdheid bij verpande vorderingen redactionele omschrijving

Geldt sinds 1 januari 2002

  1. 1

    Rust het pandrecht op een vordering, dan is de pandhouder bevoegd in en buiten rechte nakoming daarvan te eisen en betalingen in ontvangst te nemen. Deze bevoegdheden blijven bij de pandgever, zolang het pandrecht niet aan de schuldenaar van de vordering is medegedeeld.

  2. 2

    Degene aan wie de in lid 1 bedoelde bevoegdheden toekomen, is tevens bevoegd tot opzegging, wanneer de vordering niet opeisbaar is, maar door opzegging opeisbaar gemaakt kan worden. Hij is jegens de ander gehouden niet nodeloos van deze bevoegdheid gebruik te maken.

  3. 3

    Rust op de vordering meer dan één pandrecht, dan komen de in de vorige leden aan de pandhouder toegekende bevoegdheden alleen aan de hoogst gerangschikte pandhouder toe.

  4. 4

    Na mededeling van de verpanding aan de schuldenaar kan de pandgever deze bevoegdheden slechts uitoefenen, indien hij daartoe toestemming van de pandhouder of machtiging van de kantonrechter heeft verkregen.

  5. 5

    Bij inning van een verpande vordering door de pandhouder of met machtiging van de kantonrechter door de pandgever komen de pandrechten waarmee de vordering bezwaard was, op het geïnde te rusten.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:HR:2026:1595Hoge Raad, 2 oktober 2026 (goederenrecht)

    Goederenrecht. Pandrecht (art. 3:246 BW). Is pandhouder bevoegd om schikking aan te gaan m.b.t. verpande vordering? Kan pandhouder bevoegdheid tot schikking in pandakte bedingen met…

  • ECLI:NL:PHR:2026:377Parket bij de Hoge Raad, 10 april 2026 (goederenrecht)

    Goederenrecht. Pandrecht. Is pandhouder bevoegd om schikking aan te gaan m.b.t. verpande vordering en, zo neen, kan hij die bevoegdheid in de pandakte bedingen met goederenrechtelijke werking?…

  • ECLI:NL:PHR:2024:990Parket bij de Hoge Raad, 27 september 2024 (insolventierecht)

    Faillissementsrecht. Pandrecht. Verkoop van aan de bank verpande winkelvoorraad met toestemming van de bank tegen pinbetalingen. M.b.t. die betalingen uitzondering op het verrekeningsverbod voor de…

  • ECLI:NL:HR:2024:217Hoge Raad, 9 februari 2024 (burgerlijk procesrecht)

    Procesrecht. Pandrecht. Schorsing en hervatting geding (art. 225 lid 1, aanhef en onder c, Rv en art. 227 Rv). Kan pandhouder die na mededeling van pandrecht inningsbevoegd wordt (3:246 lid 1 BW)…

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:15661Rechtbank Den Haag, 3 juni 2026 (verbintenissenrecht)

    Koop/aanneming (installaties voor kassen). Eindvonnis na deskundigenonderzoek. Deel klachten te laat (art. 7:23 BW). Gedeeltelijke ontbinding voor gebreken, vaststellen omvang ontbinding. Geschil…

  • ECLI:NL:RBGEL:2026:2431Rechtbank Gelderland, 6 maart 2026 (verbintenissenrecht)

    Vervolg van ECLI:NL:RBGEL:2026:411. Geldlening, pandrecht en redelijkheid en billijkheid.

  • ECLI:NL:RBZWB:2026:8750Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18 februari 2026 (civiel recht)

    Tussenvonnis. Omvang van de rechten van de pandhouder op vermogensbestanddelen van failliet, voor en na datum faillissement. Pandrechten op NOW en TVL gelden?

  • ECLI:NL:RBLIM:2025:13236Rechtbank Limburg, 24 december 2025 (civiel recht)

    Contractueel verpandingsverbod heeft in dit geval geen goederenrechtelijke werking. Alleen de eerste pandhouder is inningsbevoegd. Een vordering als gevolg van de ontbinding van de overeenkomst…

220 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.