Wet op het financieel toezicht

Wft

Huidige tekst

Artikel 6:2 Wft

Geldt sinds 1 januari 2023

  1. 1

    Onze Minister kan, indien hij van oordeel is dat de stabiliteit van het financiële stelsel ernstig en onmiddellijk in gevaar komt door de situatie waarin een financiële onderneming met zetel in Nederland zich bevindt, met het oog op de stabiliteit van dat stelsel besluiten tot onteigening van vermogensbestanddelen van de betrokken onderneming, van door of met medewerking van die onderneming uitgegeven effecten of van vorderingen op die onderneming, zo nodig in afwijking van wettelijke voorschriften of statutaire bepalingen, met uitzondering van de bij of krachtens dit deel gestelde regels.

  2. 2

    Onze Minister raadpleegt de Nederlandsche Bank alvorens een besluit tot onteigening te nemen. Het besluit wordt genomen in overeenstemming met Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken.

  3. 3

    Een besluit tot onteigening vermeldt het tijdstip waarop het in werking treedt. De te onteigenen vermogensbestanddelen, effecten of vorderingen gaan over op het tijdstip van inwerkingtreding van dat besluit. Van het besluit wordt, onverminderd artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

  4. 4

    In het besluit tot onteigening kan worden bepaald dat de te onteigenen vermogensbestanddelen, effecten of vorderingen worden onteigend ten name van een in dat besluit aangewezen privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid.

  5. 5

    Onze Minister regelt de gevolgen van de onteigening.

  6. 6

    Een krachtens het eerste lid onteigend vermogensbestanddeel of effect of onteigende vordering gaat onbezwaard over op de Staat der Nederlanden of de krachtens het vierde lid aangewezen rechtspersoon. Onteigening krachtens het eerste lid van door of met medewerking van de betrokken onderneming uitgegeven effecten doet de rechten op nieuw uit te geven effecten van die klasse vervallen.

  7. 7

    Onverminderd artikel 6:5a, worden door een onteigening op grond van het eerste lid de bevoegdheden die voortvloeien uit een verrekenbeding in een overeenkomst met betrekking tot financiële instrumenten of een financiëlezekerheidsovereenkomst, en de rechten die krachtens een rechtsverhouding met een bank, beleggingsonderneming of een verzekeraar of een tot dezelfde groep behorende onderneming toekomen aan een centrale bank of, in verband met deelname aan een systeem als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, van de Faillissementswet, aan een andere deelnemer die deelneemt aan het systeem, niet aangetast.

  8. 8

    Voor de toepassing van het zevende lid wordt onder verrekenbeding verstaan een beding op grond waarvan bij het voldoen aan tussen partijen overeengekomen voorwaarden: a.de verplichtingen van partijen onmiddellijk opeisbaar worden, alsmede omgezet in een verplichting tot het betalen van een bedrag dat hun geschatte actuele waarde vertegenwoordigt, dan wel de verplichtingen vervallen en worden vervangen door een verplichting tot het betalen van het voornoemde bedrag; of b.de verplichtingen van partijen worden verrekend en alleen het saldo is verschuldigd.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:HR:2023:839Hoge Raad, 2 juni 2023 (ondernemingsrecht)

    Ondernemingsrecht. Financieel toezicht. Verzoek vaststelling aanvullende schadeloosstelling na gedwongen overdracht aandelen verzekeraar (art. 3:159ab (oud) Wft). Zelfstandige rol ondernemingskamer…

  • ECLI:NL:PHR:2022:995Parket bij de Hoge Raad, 28 oktober 2022 (ondernemingsrecht)

    Ondernemingsrecht. Vaststelling aanvullende schadeloosstelling o.v.v. art. 3:159ab Wft (oud) inzake Conservatrix. Tussenbeschikking OK.

  • ECLI:NL:PHR:2019:1061Parket bij de Hoge Raad, 18 oktober 2019 (civiel recht)

    Art. 81 lid 1 RO. Contractenrecht. Zijn vorderingen van stichting jegens SNS Reaal en de Staat concurrent of achtergesteld? Uitleg overeenkomst.

  • ECLI:NL:HR:2018:511Hoge Raad, 6 april 2018 (belastingrecht)

    Art. 1 Eerste Protocol EVRM; heffing inzake rendement over vermogen dat één maand na de peildatum (nagenoeg) geheel verloren ging (onteigende aandelen SNS). Individuele buitensporige last?…

  • ECLI:NL:RBROT:2025:12809Rechtbank Rotterdam, 15 oktober 2025 (bestuursrecht)

    Afwikkeling onteigening SNS. Uitbetaling schadeloosstelling, artikel 6:12 Wft. De ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam heeft de schadeloosstelling in verband met de onteigende…

  • ECLI:NL:GHAMS:2018:1812Gerechtshof Amsterdam, 22 mei 2018 (civiel recht)

    Overeenkomstenrecht. Uitleg (HR 19 januari 2007, NJ 2007/575, ECLI:NL:HR:2007:AZ3178, NJ 2007/575). SRH (voorheen SNS Reaal) heeft effecten (‘Stichting Securities’) uitgegeven aan Stichting SNS Reaal…

  • ECLI:NL:PHR:2017:1250Parket bij de Hoge Raad, 25 augustus 2017 (civiel recht)

    Procesrecht. Onteigening SNS-aandeelhouders. Verzoek van Stichting Beheer SNS Reaal tot voorlopig getuigenverhoor met het oog op mogelijke schadevordering tegen SNS Reaal. Onaanvaardbare doorkruising…

  • ECLI:NL:PHR:2016:536Parket bij de Hoge Raad, 24 juni 2016 (civiel recht)

    Ondernemingsrecht. Enquêteprocedure. Ontvankelijkheid gewezen aandeelhouders van SNS-bank na onteigening van hun aandelen op grond van de Interventiewet. Strijd met kapitaalseis van art. 2:346 BW?…

15 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.