Huidige tekst
Artikel 2:7 Wft
- 1
De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:6, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge: a.artikel 3:8 met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen; b.artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen; c.artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening; d.artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering; e.artikel 3:21 met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid van het bijkantoor bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten; f.artikel 3:53, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen; g.artikel 3:57, eerste en tweede lid, met betrekking tot de solvabiliteit; en h.artikel 3:63, eerste en tweede lid, met betrekking tot de liquiditeit, met dien verstande dat voor de toepassing van de onderdelen a tot en met d en f tot en met h in de genoemde artikelen voor «een clearinginstelling met zetel in Nederland» telkens moet worden gelezen: «het bijkantoor in Nederland van een clearinginstelling met zetel in een niet-aangewezen staat», en dat voor de toepassing van onderdeel e in het genoemde artikel voor «bank met zetel in een staat die geen lidstaat is», moet worden gelezen: «clearinginstelling met zetel in een niet-aangewezen staat».
- 2
De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
- 3
De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, d, f, g of h, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.