Wet op het financieel toezicht

Wft

Huidige tekst

Artikel 3:57 Wft

Geldt sinds 19 oktober 2021

  1. 1

    De volgende financiële ondernemingen met zetel in Nederland beschikken over voldoende solvabiliteit: – afwikkelondernemingen die werkzaamheden verrichten, gericht op salderen; – banken; – beheerders van beleggingsinstellingen; – beheerders van icbe’s; – beleggingsondernemingen met zetel in Nederland waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 is verleend; – betaalinstellingen; – clearinginstellingen; – elektronischgeldinstellingen; – kredietunies; – premiepensioeninstellingen; – verzekeraars.

  2. 2

    Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de solvabiliteit van de financiële ondernemingen, bedoeld in het eerste lid. Deze regels kunnen in het bijzonder betrekking hebben op de minimumomvang, de samenstelling en de berekening van de solvabiliteit, alsmede op de waardering van de vermogensbestanddelen die tot de solvabiliteit kunnen worden gerekend.

  3. 3

    De aan te houden solvabiliteit van een beheerder, beleggingsonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, kredietunie, premiepensioeninstelling of bank als bedoeld in het eerste lid, wordt uitgedrukt in een minimaal aan te houden toetsingsvermogen. De aan te houden solvabiliteit van een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid, wordt uitgedrukt in een solvabiliteitskapitaalvereiste.

  4. 4

    Indien een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid voorziet of redelijkerwijze kan voorzien dat haar solvabiliteit niet voldoet of niet zal voldoen aan de regels, bedoeld in het tweede lid, geeft zij hiervan onverwijld kennis aan de Nederlandsche Bank. Indien het een verzekeraar betreft die constateert dat niet meer wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste, dan wel voorziet dat in drie maanden mogelijk niet aan dat vereiste wordt voldaan, geeft hij hiervan onverwijld kennis aan de Nederlandsche Bank.

  5. 5

    Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het aanhouden van balansposten of posten buiten de balanstelling door beheerders, beleggingsondernemingen, clearinginstellingen, kredietunies en banken, bedoeld in het eerste lid, maatschappijen voor collectieve belegging in effecten met zetel in Nederland, bewaarders met zetel in Nederland.

  6. 6

    De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, aan een afwikkelonderneming, clearinginstelling, kredietunie of premiepensioeninstelling als bedoeld in het eerste lid ontheffing verlenen van ingevolge het eerste, tweede of zesde lid bepaalde, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

  7. 7

    Het eerste tot en met het derde lid zijn niet van toepassing indien een betaalinstelling alleen betaaldiensten verleent als bedoeld onder 7 en 8 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2022:995Parket bij de Hoge Raad, 28 oktober 2022 (ondernemingsrecht)

    Ondernemingsrecht. Vaststelling aanvullende schadeloosstelling o.v.v. art. 3:159ab Wft (oud) inzake Conservatrix. Tussenbeschikking OK.

  • ECLI:NL:PHR:2020:762Parket bij de Hoge Raad, 31 augustus 2020 (belastingrecht)

    A-G Ettema heeft op verzoek van de Hoge Raad conclusie genomen in twee zaken die gaan over de vrijstelling voor het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve…

  • ECLI:NL:PHR:2020:763Parket bij de Hoge Raad, 31 augustus 2020 (belastingrecht)

    A-G Ettema heeft op verzoek van de Hoge Raad conclusie genomen in twee zaken die gaan over de vrijstelling voor het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve…

  • ECLI:NL:PHR:2016:1326Parket bij de Hoge Raad, 16 december 2016 (civiel recht)

    Ondernemingsrecht. Intrekking door SNS Bank en SNS Reaal van afgegeven art. 2:403 BW-verklaringen; verzet van schuldeisers daartegen (art. 2:404 BW). Maatstaf voor de beoordeling van het verzet…

  • ECLI:NL:RBROT:2023:12657Rechtbank Rotterdam, 4 december 2023 (bestuursrecht)

    Wet bekostiging financieel toezicht 2019, reguliere toezichtkosten beleggingsondernemingen over het jaar 2019 De rechtbank ziet bij de exceptieve toetsing van artikel 3, eerste lid, van de Rbft 2019…

  • ECLI:NL:RBROT:2022:5130Rechtbank Rotterdam, 30 juni 2022 (bestuursrecht)

    Intrekking door de AFM van een vergunning voor het beheren en aanbieden van rechten van deelneming in beleggingsinstellingen met afwikkeltermijn die meermaals is verlengd. Het betreft een groot…

  • ECLI:NL:RBROT:2021:9703Rechtbank Rotterdam, 22 september 2021 (bestuursrecht)

    BC FT, art. 3:53 lid 1 en art 3:57 lid 1 en 3 Wft Aanwijzing aan onderneming, voldoet niet aan de kapitaalvereisten. Voldoet mogelijk op korte termijn weer aan vereiste. DNB heeft in strijd met het…

  • ECLI:NL:CBB:2020:419College van Beroep voor het bedrijfsleven, 30 juni 2020 (bestuursrecht)

    Hoger beroep. Bestuurlijke boete wegens overtreding van artikel 4:11 lid 1 sub b Wft (oud) en artikel 115q lid 1 sub b BGfo aan onderneming en feitelijk leidinggevende. Niet voeren van een adequaat…

12 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.