Wet inkomstenbelasting 2001

IB

Huidige tekst

Artikel 3.125 IB

Geldt sinds 1 januari 2026

Lijfrentevoorzieningen 1 Als lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, die dienen ter compensatie van een pensioentekort worden aangemerkt: a.lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, waarvan de eerste termijn wordt uitgekeerd uiterlijk in het jaar waarin hij de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, en waarvan de termijnen uitsluitend eindigen bij zijn overlijden; b.lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, waarvan de termijnen toekomen aan een natuurlijk persoon en ingaan bij het overlijden van de belastingplichtige, van zijn partner of zijn gewezen partner, waarbij indien de termijnen toekomen aan een van hun bloed- of aanverwanten, niet zijnde de partner of gewezen partner, in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn, deze uitsluitend eindigen hetzij bij het overlijden van de gerechtigde hetzij uiterlijk op het tijdstip waarop deze de leeftijd van 30 jaar bereikt; c.lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige en een looptijd hebben van ten minste vijf jaar en waarvan de eerste termijn niet eerder wordt uitgekeerd dan in het jaar waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt en uiterlijk wordt uitgekeerd in het jaar waarin hij de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, voor zover het gezamenlijke bedrag aan termijnen van die lijfrenten – beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling – niet meer beloopt dan € 27.192 per jaar. 2 In afwijking van artikel 1.7, eerste lid, kan voor rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c zijn overeengekomen dat het bedrag van de uitkeringen als gevolg van het overlijden van de partner of gewezen partner afneemt tot ten hoogste 70% van het bedrag dat gold vóór het overlijden. 3 In afwijking van artikel 1.7, eerste lid, is voor rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, waarvan de termijnen eindigen uiterlijk op het tijdstip waarop de gerechtigde de leeftijd van 30 jaar bereikt de grootte van de kans op overlijden van de gerechtigde niet van belang.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:GHSHE:2026:1537Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10 juni 2026 (belastingrecht)

    Artikel 3.125 e.v. Wet IB 2001, artikel 6.17 e.v. Wet IB 2001 en artikel 6.32 e.v. Wet IB 2001. Betaalde premies voor inkomensvoorzieningen. Specifieke zorgkosten. Giften. De inspecteur neemt ter…

  • ECLI:NL:RBSGR:2006:AX8294Rechtbank 's-Gravenhage, 27 april 2006 (belastingrecht)

    Vergrijpboete. Eiser is bij het doen van de aangiften nalatig geweest doordat hij geen, althans onvoldoende, acht heeft geslagen op de hem ter beschikking staande informatie met betrekking tot de…

  • ECLI:NL:RBBRE:2006:AX0644Rechtbank Breda, 18 april 2006 (belastingrecht)

    Belanghebbende is tot augustus 2000 in dienstbetrekking werkzaam geweest. Op grond van deze dienstbetrekking is hij aangesloten bij een pensioenfonds. Na beëindiging van de dienstbetrekking heeft…

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.