Wet inkomstenbelasting 2001

IB

Huidige tekst

Artikel 3.91 IB

Geldt sinds 1 januari 2011

Ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een onderneming of werkzaamheid 1 Onder werkzaamheid wordt mede verstaan: a.het rendabel maken van vermogensbestanddelen – daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen – door deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking te stellen aan een met de belastingplichtige verbonden persoon, voorzover die vermogensbestanddelen door die persoon worden aangewend voor het behalen van belastbare winst uit onderneming of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden; b.het rendabel maken van vermogensbestanddelen – daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen – voorzover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld ten behoeve van een samenwerkingsverband waarvan een met de belastingplichtige verbonden persoon die daarbij belastbare winst uit onderneming of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden geniet, deel uitmaakt; c.het rendabel maken van vermogen op een wijze die normaal, actief vermogensbeheer te buiten gaat, zoals bij het uitponden van onroerende zaken, het in belangrijke mate door de belastingplichtige zelf verrichten van groot onderhoud of andere aanpassingen aan een zaak, of het aanwenden door de belastingplichtige van voorkennis of daarmee vergelijkbare bijzondere vormen van kennis. 2 Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt: a.met het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een in het eerste lid bedoelde persoon of ten behoeve van een daar bedoeld samenwerkingsverband gelijkgesteld: 1°. het aangaan of het hebben van een schuldvordering alsmede het aangaan of het hebben van rechten uit een spaarovereenkomst of uit een daarmee verwante overeenkomst op een in dat lid bedoelde persoon of bedoeld samenwerkingsverband; 2°. het sluiten van een overeenkomst van levensverzekering of het hebben van rechten uit een overeenkomst van levensverzekering waarbij de in dat lid bedoelde persoon of bedoeld samenwerkingsverband als verzekeraar optreedt behoudens voorzover de uitkeringen uit die rechten anders in aanmerking zouden worden genomen als een periodieke uitkering of verstrekking als bedoeld in afdeling 3.5; 3°. het vestigen of het hebben van een genotsrecht op een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde persoon of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband; 4°. het overeenkomen of het hebben van een recht een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde persoon of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband, te verwerven; 5°. het verkrijgen of het hebben van een recht of een verplichting een vermogensbestanddeel te verwerven van een in dat lid bedoelde persoon of bedoeld samenwerkingsverband indien de daar tegenover staande verplichting onderscheidenlijk het daar tegenover staande recht tot diens vermogen van een onderneming of tot diens resultaat uit een werkzaamheid behoort; 6°. het verkrijgen of het hebben van een recht of een verplichting een vermogensbestanddeel te vervreemden aan een in dat lid bedoelde persoon of bedoeld samenwerkingsverband indien de daar tegenover staande verplichting onderscheidenlijk het daar tegenover staande recht tot diens vermogen van een onderneming of tot diens resultaat uit een werkzaamheid behoort; b.onder een met de belastingplichtige verbonden persoon verstaan: 1°. de partner van de belastingplichtige; 2°. de minderjarige kinderen van de belastingplichtige of zijn partner; c.indien de belastingplichtige minderjarig is, onder een met de belastingplichtige verbonden persoon mede verstaan: een bloed- of aanverwant in de eerste graad van de opgaande lijn en degene die onder een met die bloed- of aanverwant verbonden persoon als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt verstaan; d.een vergoeding voor het aangaan van borgtocht voor schulden betreffende een onderneming, werkzaamheid of samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, aangemerkt als een voordeel uit het ter beschikking stellen van een vermogensbestanddeel; e.onder rechten als bedoeld in onderdeel a, onder 4°, 5° en 6° mede verstaan: rechten waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel of met de wijziging van een factor, zoals de rentestand; f.onder verplichtingen als bedoeld in onderdeel a, onder 5° en 6°, mede verstaan: verplichtingen waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel of met de wijziging van een factor, zoals de rentestand. 3 Op dezelfde wijze als het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een met de belastingplichtige verbonden persoon wordt behandeld het ter beschikking stellen aan een niet onder het tweede lid, onderdeel b, begrepen bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belastingplichtige of van zijn partner, indien het een in het maatschappelijke verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling is. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de toepassing van dit lid, waaronder regels of sprake is van een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2026:544Parket bij de Hoge Raad, 29 mei 2026 (belastingrecht)

    Onroerende zaak, resultaat overige werkzaamheid, terbeschikkingstellingsregeling, “in feite, direct of indirect”

  • ECLI:NL:PHR:2026:545Parket bij de Hoge Raad, 29 mei 2026 (belastingrecht)

    Onroerende zaak, resultaat overige werkzaamheid, terbeschikkingstellingsregeling, “in feite, direct of indirect”

  • ECLI:NL:PHR:2025:583Parket bij de Hoge Raad, 23 mei 2025 (belastingrecht)

    Toegang tot fbi-regime? Statutaire en feitelijke beleggingseisen. Onzakelijke financiering vastgoed? Verhouding tussen art. 8b Wet Vpb (arm’s length) en onzakelijke-leningrechtspraak. Wordt…

  • ECLI:NL:PHR:2024:40Parket bij de Hoge Raad, 12 januari 2024 (belastingrecht)

    Verplaatsing zetel naar Malta; non-remitted (vermogens)winst; art. 2(5) en art. 30 verdrag Nederland-Malta; bevoegdheid tot navordering; veranderde ressortering; art. 16(1) AWR; nieuw feit; Wie is…

  • ECLI:NL:RBGEL:2026:7326Rechtbank Gelderland, 30 september 2026 (belastingrecht)

    IB/PVV. Inspecter wijkt van de aangifte af en neemt een boekwinst in aanmerking in verband met een vermeende beëindiging van de terbeschikkingstellingsregeling. In beroep is onder meer in geschil in…

  • ECLI:NL:RBNNE:2026:268Rechtbank Noord-Nederland, 29 januari 2026 (belastingrecht)

    De rechtbank is van oordeel dat de door eiser ingenomen beroepsgronden (met uitzondering van zijn grief ten aanzien van het verplichte fiscaal partnerschap) vallen onder de reikwijdte van…

  • ECLI:NL:GHDHA:2025:2321Gerechtshof Den Haag, 12 augustus 2025 (belastingrecht)

    Verwijzingszaak. Activiteiten rondom onroerende zaak onderneming of werkzaamheid? Foutenleer. Omvang verlies.

  • ECLI:NL:RBZWB:2025:4989Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 31 juli 2025 (belastingrecht)

    IB; ongebruikelijke tbs.

209 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.