Wet inkomstenbelasting 2001

IB

Huidige tekst

Artikel 3.78 IB

Geldt sinds 1 april 2002

Meewerkaftrek 1 De meewerkaftrek geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en van wie de partner zonder enige vergoeding arbeid verricht in een onderneming waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet. 2 Bij arbeid van de partner die gedurende het kalenderjaar een aantal uren in beslag neemt gelijk aan of meer dan maar minder dan bedraagt de meewerkaftrek 525 875 1,25% van de winst 875 1 225 2% van de winst 1225 1 750 3% van de winst 1 750 – 4% van de winst 3 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winst verstaan het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer geniet uit ondernemingen waarin de partner zonder enige vergoeding arbeid verricht, verminderd met: a.winst genoten ter vervanging van door een onteigening gederfde of te derven voordelen uit onderneming; b.winst behaald met of bij het staken van een onderneming of een gedeelte van een onderneming, daaronder mede verstaan staking door overlijden als bedoeld in artikel 3.58 en c.winst als gevolg van de overbrenging van vermogensbestanddelen naar het buitenland of als gevolg van eindafrekening bedoeld in artikel 3.60 respectievelijk 3.61.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2024:774Parket bij de Hoge Raad, 5 juli 2024 (belastingrecht)

    Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 5 juli 2024 inzake: fiscale bestuurlijke boetes, 23/04710 ECLI:NL:PHR:2024:739 , 23/04711 ECLI:NL:PHR:2024:735 , 24/00100 ECLI:NL:PHR:2024:736 …

  • ECLI:NL:PHR:2020:621Parket bij de Hoge Raad, 19 juni 2020 (belastingrecht)

    A-G Niessen heeft conclusie genomen in een zaak over de toepassing van de aftrekuitsluiting van art. 3.16, lid 4, Wet IB 2001. Kan een ondernemer een jaarvergoeding van € 1.500 voor werkzaamheden van…

  • ECLI:NL:PHR:2010:BN0666Parket bij de Hoge Raad, 29 oktober 2010 (belastingrecht)

    Artikelen 2.5, 3.6 en 3.76 Wet IB 2001; artikel 43 EG/ 49 VWEU. Vervolgprocedure na arrest van HvJ EU waarin prejudiciële vraag is beantwoord over het eventueel wegnemen door de optieregeling van…

  • ECLI:NL:PHR:2008:AZ9086Parket bij de Hoge Raad, 19 december 2008 (belastingrecht)

    artikel 3.6, lid 2, letter a, Wet IB 2001; werkzaamhedentoets per onderneming aanleggen.

  • ECLI:NL:RBGEL:2025:8935Rechtbank Gelderland, 28 oktober 2025 (socialezekerheidsrecht)

    Het beroep van eiser tegen de vaststelling (berekening) en terugvordering van de aan hem te veel betaalde uitkering op grond van de WAO is ongegrond. Er is geen sprake van een gedeeltelijke staking…

  • ECLI:NL:RBZWB:2022:7143Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25 november 2022 (bestuursrecht)

    KINDER

  • ECLI:NL:RVS:2022:493Raad van State, 16 februari 2022 (bestuursrecht)

    Bij besluit van 15 februari 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellant] over 2017 definitief berekend en vastgesteld op nihil. [appellant] is sinds 8 februari 2010…

  • ECLI:NL:RBZWB:2021:4083Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 6 augustus 2021 (belastingrecht)

    voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt

35 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.