Wet inkomstenbelasting 2001

IB

Huidige tekst

Artikel 3.87 IB

Geldt sinds 1 januari 2026

Reisaftrek 1 De reisaftrek geldt bij ten minste eenmaal per week plegen te reizen tussen de woning of verblijfplaats en de plaats of plaatsen van werkzaamheden waarbij binnen een tijdsbestek van 24 uur zowel heen als terug wordt gereisd en wordt in aanmerking genomen voor de per openbaar vervoer afgelegde reisafstand, voor zover dat vervoer niet vanwege de inhoudingsplichtige plaatsvindt. 2 In dit artikel en daarop berustende bepalingen wordt onder reisafstand verstaan: de afstand tussen de woning of verblijfplaats en de plaats van de werkzaamheden gemeten langs de meest gebruikelijke weg. 3 De op basis van de volgende leden bepaalde reisaftrek wordt verminderd met de voor de per openbaar vervoer afgelegde reisafstand ontvangen reiskostenvergoedingen. 4 Indien de belastingplichtige op ten minste vier dagen per week naar dezelfde plaats van werkzaamheden pleegt te reizen, bedraagt de reisaftrek: bij een reisafstand per openbaar vervoer van meer dan maar niet meer dan op jaarbasis – 10 km - 10 km 15 km € 574 15 km 20 km € 762 20 km 30 km € 1.268 30 km 40 km € 1.572 40 km 50 km € 2.047 50 km 60 km € 2.279 60 km 70 km € 2.527 70 km 80 km € 2.614 80 km – € 2.649 5 Indien de belastingplichtige op drie dagen, twee dagen of één dag per week naar dezelfde plaats van werkzaamheden pleegt te reizen, bedraagt de reisaftrek: a.indien de reisafstand niet meer beloopt dan 90 kilometer: driekwart, de helft respectievelijk een kwart van het in de tabel aangegeven bedrag; b.indien de reisafstand meer beloopt dan 90 kilometer: € 0,29 per kilometer van die reisafstand vermenigvuldigd met het aantal dagen waarop wordt gereisd, maar niet meer dan € 2.649 per jaar. 6 Indien de belastingplichtige naar verschillende plaatsen van werkzaamheden pleegt te reizen, vinden het vierde en vijfde lid afzonderlijk toepassing met betrekking tot het reizen naar elk van die plaatsen, waarbij de som van de volgens deze leden bepaalde reisaftrek niet meer bedraagt dan € 2.649 per jaar. 7 Indien de belastingplichtige op dezelfde dag naar verschillende plaatsen van werkzaamheden pleegt te reizen, zijn de vorige leden uitsluitend van toepassing op het reizen naar de meest bereisde plaats van werkzaamheden. Indien de plaatsen van werkzaamheden even vaak plegen te worden bereisd, geldt de grootste reisafstand. 8 Voor de toepassing van het eerste lid pleegt de belastingplichtige in ieder geval ten minste eenmaal per week te reizen indien hij in het kalenderjaar op 40 dagen of meer van zijn woning of verblijfplaats naar de plaats of plaatsen van werkzaamheden heeft gereisd. 9 De per openbaar vervoer afgelegde reisafstand blijkt slechts uit een op een tijdvak van 12 maanden betrekking hebbende verklaring die is afgegeven door de desbetreffende openbaar-vervoersonderneming (de openbaar-vervoerverklaring) of, in die gevallen dat door de gebruikte kaartsoort de openbaar-vervoerverklaring niet kan worden verstrekt, een aan een openbaar-vervoerverklaring gelijk te stellen andere tot de persoon van de belastingplichtige herleidbare verklaring omtrent het gereisd hebben met openbaar vervoer (de reisverklaring). 10 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud van de openbaar-vervoerverklaring en van de reisverklaring en voor de uitvoering van dit artikel.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:HR:2016:2105Hoge Raad, 16 september 2016 (belastingrecht)

    HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO.

  • ECLI:NL:HR:2012:BX9205Hoge Raad, 5 oktober 2012 (belastingrecht)

    Reisaftrek. Artikel 16, lid 3, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 is niet onverbindend.

  • ECLI:NL:HR:2010:BM1241Hoge Raad, 16 april 2010 (belastingrecht)

    Artikel 3.87 Wet IB 2001 en artikel 16, lid 3, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Geen recht op reisaftrek indien geen plaatsbewijzen kunnen worden getoond.

  • ECLI:NL:HR:2010:BM1257Hoge Raad, 16 april 2010 (belastingrecht)

    De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

  • ECLI:NL:RBZWB:2026:6792Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 juli 2026 (socialezekerheidsrecht)

    afwijzing van de aanvraag voor een vervoersvoorziening

  • ECLI:NL:RBZWB:2026:2745Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 9 april 2026 (belastingrecht)

    Aanslag IB/PVV, ontvankelijkheid, reisaftrek, gelijkheidsbeginsel, beroep ongegrond.

  • ECLI:NL:RBROT:2025:13679Rechtbank Rotterdam, 27 november 2025 (socialezekerheidsrecht)

    Vervoersvoorziening Wajong. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser vanaf 12 september 2022 recht op een vervoersvoorziening

  • ECLI:NL:RBZWB:2025:397Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27 januari 2025 (belastingrecht)

    Belanghebbende heeft de opgevoerde specifieke zorgkosten geenszins onderbouwd. De inspecteur heeft terecht geen aftrek verleend. De verzuimboete wegens het te laat doen van aangifte is terecht en…

46 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.