Wet inkomstenbelasting 2001

IB

Huidige tekst

Artikel 5.3 IB

Geldt sinds 1 januari 2025

Rendementsgrondslag 1 De rendementsgrondslag is de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden. 2 Bezittingen zijn: a.onroerende zaken; b.rechten die direct of indirect op onroerende zaken betrekking hebben; c.roerende zaken die door de belastingplichtige en personen die behoren tot zijn huishouden niet voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt alsmede roerende zaken die voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt doch hoofdzakelijk als belegging dienen; d.rechten op roerende zaken; e.rechten die niet op zaken betrekking hebben, waaronder geld en f.overige vermogensrechten, met waarde in het economische verkeer. Bezittingen die voortvloeien uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen, uit een belastingwet waarop de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing is, uit de Invorderingswet 1990 of uit daarmee overeenkomende buitenlandse wetgeving, worden niet in aanmerking genomen. In afwijking van de tweede volzin worden bezittingen die voortvloeien uit de erfbelasting wel in aanmerking genomen alsmede de daarmee verband houdende bezittingen voortvloeiende uit de belastingrente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, of de invorderingsrente, bedoeld in hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990. De derde volzin is van overeenkomstige toepassing op bezittingen die voortvloeien uit een met de erfbelasting overeenkomende buitenlandse erfbelasting, alsmede op de daarmee verband houdende bezittingen voortvloeiende uit een renteregeling die is opgenomen in een wetgeving die overeenkomt met de Algemene wet inzake rijksbelastingen of de Invorderingswet 1990. 3 Schulden zijn verplichtingen met waarde in het economische verkeer, met dien verstande dat: a.verplichtingen die kunnen leiden tot uitgaven die ingevolge hoofdstuk 6 geheel of voor een deel worden aangemerkt als een persoonsgebonden aftrekpost, niet in aanmerking worden genomen; b.verplichtingen tot het doen van periodieke uitkeringen of verstrekkingen die ingevolge artikel 3.101, eerste lid, onderdelen b en c, geen aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn, niet in aanmerking worden genomen; c.verplichtingen die voortvloeien uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen, uit een belastingwet waarop de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing is, uit de Invorderingswet 1990 of uit daarmee overeenkomende buitenlandse wetgeving, niet in aanmerking worden genomen; d.in afwijking van onderdeel c verplichtingen die voortvloeien uit de erfbelasting wel in aanmerking worden genomen alsmede de daarmee verband houdende verplichtingen voortvloeiende uit de belastingrente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, of de invorderingsrente, bedoeld in hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990; e.onderdeel d van overeenkomstige toepassing is op verplichtingen die voortvloeien uit een met de erfbelasting overeenkomende buitenlandse erfbelasting alsmede de daarmee verband houdende verplichtingen voortvloeiende uit een met de regeling voor de belastingrente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, of de regeling voor de invorderingsrente, bedoeld in hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990, overeenkomende renteregeling; f.verplichtingen, niet zijnde verplichtingen als bedoeld in de onderdelen a, b en c, en het vierde lid, alleen in aanmerking worden genomen voorzover de gezamenlijke waarde daarvan meer bedraagt dan € 3.800. Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt het in de eerste volzin, onderdeel f, genoemde bedrag voor de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk op € 7.600 gesteld. 4 In afwijking van het derde lid, aanhef en onderdeel d, wordt niet in aanmerking genomen de verplichting die voortvloeit uit de Successiewet 1956 met betrekking tot de toepassing van artikel 7 van de Natuurschoonwet 1928 voor zover er geen sprake is van terstond invorderbare belasting als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, van de Natuurschoonwet 1928.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:HR:2026:1417Hoge Raad, 4 september 2026 (belastingrecht)

    Inkomstenbelasting; art. 15 AWR, art. 2.7, lid 1, Wet IB 2001, art. 25 en 25a Besluit voorkoming dubbele belasting 2001, art. 63 VWEU, art. 14 EVRM, art. 1 EP, art. 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM…

  • ECLI:NL:PHR:2026:411Parket bij de Hoge Raad, 17 april 2026 (belastingrecht)

    Op de zaak betrekking hebbende stukken, geen (vereiste) aangiften gedaan, omkering en verzwaring van de bewijslast, redelijke schatting, vergrijpboetes. Art. 6 EVRM. Vermelding door belastingrechters…

  • ECLI:NL:PHR:2026:421Parket bij de Hoge Raad, 17 april 2026 (belastingrecht)

    Op de zaak betrekking hebbende stukken, geen (vereiste) aangiften gedaan, omkering en verzwaring van de bewijslast, redelijke schatting, vergrijpboetes. Art. 6 EVRM. Vermelding door belastingrechters…

  • ECLI:NL:HR:2025:683Hoge Raad, 25 april 2025 (belastingrecht)

    art. 5.3, lid 2, Wet IB 2001; zijn cryptovaluta vermogensbestanddelen die tot de rendementsgrondslag voor box 3 behoren?

  • ECLI:NL:GHARL:2026:6023Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 september 2026 (belastingrecht)

    IB/PVV. Rechtsherstel box 3.

  • ECLI:NL:GHARL:2026:5874Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 september 2026 (belastingrecht)

    IB/PVV. Inkomen uit sparen en beleggen. Rechtsherstel.

  • ECLI:NL:GHDHA:2026:2843Gerechtshof Den Haag, 2 september 2026 (belastingrecht)

    Art 7, lid 3, Awir. Toepassing Wet rechtsherstel box 3 op vermogenstoets huurtoeslag. Belastingrechter onbevoegd om te oordelen in geschil over huurtoeslag.

  • ECLI:NL:RBZWB:2026:7659Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 augustus 2026 (socialezekerheidsrecht)

    Terugvordering van het kindgebonden budget over 2023. Het beroep is ongegrond.

369 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.