Wet inkomstenbelasting 2001

IB

Huidige tekst

Artikel 2.14 IB

Geldt sinds 1 januari 2017

Toerekening tussen en binnen de belastbare inkomens 1 Indien een voordeel op grond van meer dan een hoofdstuk, afdeling of paragraaf als bestanddeel, al dan niet vrijgesteld, van een van de belastbare inkomens zou kunnen worden aangemerkt, wordt het voordeel uitsluitend op grond van het als eerste opgenomen hoofdstuk of de als eerste opgenomen afdeling of paragraaf aangemerkt als bestanddeel van het desbetreffende belastbare inkomen. 2 Voorzover vermogensbestanddelen inkomen, al dan niet vrijgesteld, uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang genereren, worden zij niet in aanmerking genomen voor de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. 3 In afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid worden: a.schulden ter zake waarvan de renten op basis van een specifieke bepaling in hoofdstuk 3 of hoofdstuk 4 van aftrek zijn uitgesloten en schulden die zijn aangegaan in verband met een eigen woning, doch niet behoren tot de eigenwoningschuld, bedoeld in artikel 3.119a, in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen; b.vermogensbestanddelen, of delen daarvan, die gedurende een periode van niet meer dan drie achtereenvolgende maanden inkomen uit werk en woning of aanmerkelijk belang genereren, en daaraan voorafgaand en daaropvolgend inkomen uit sparen en beleggen genereren, tevens in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen indien in deze periode een peildatum is gelegen als bedoeld in artikel 5.2; c.vermogensbestanddelen, of delen daarvan, die gedurende een periode van meer dan drie achtereenvolgende maanden, maar niet meer dan zes achtereenvolgende maanden inkomen uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang genereren, en daaraan voorafgaand en daaropvolgend inkomen uit sparen en beleggen genereren, tevens in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen indien in deze periode een peildatum is gelegen als bedoeld in artikel 5.2, tenzij de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan zijn handelingen zakelijke overwegingen ten grondslag liggen; d.vermogensbestanddelen, of delen daarvan, die gedurende een periode van meer dan zes achtereenvolgende maanden, maar niet meer dan achttien achtereenvolgende maanden inkomen uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang genereren en die in ten minste een deel van die periode behoren tot de bezittingen van een lichaam waarbij een forfaitair voordeel als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, uit de aandelen in of winstbewijzen van dat lichaam tot de reguliere voordelen, bedoeld in artikel 4.12, onderdeel a, behoort, en daaraan voorafgaand en daaropvolgend inkomen uit sparen en beleggen genereren, tevens in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen indien in deze periode een peildatum is gelegen als bedoeld in artikel 5.2, tenzij de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan zijn handelingen zakelijke overwegingen ten grondslag liggen; e.van een werkgever die een met de belastingplichtige verbonden persoon is als bedoeld in artikel 3.91, of waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon als bedoeld in artikel 3.92 een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4, uitgezonderd de artikelen 4.10 en 4.11, ontvangen vergoedingen ter zake van kosten en lasten die verband houden met een werkruimte ten behoeve van hemzelf in zijn woning, niet in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare loon, doch bij de bepaling van het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden en wordt die werkruimte tot het vermogen van die werkzaamheid gerekend, indien de werkruimte een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van de woning vormt en: 1º. ingeval de belastingplichtige tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij zijn belastbaar loon hoofdzakelijk in de werkruimte in die woning verwerft, of 2º. ingeval de belastingplichtige niet tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij zijn belastbaar loon hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning verwerft en in belangrijke mate in de werkruimte in die woning verwerft. 4 Met betrekking tot het derde lid, onderdeel e, is artikel 3.16, twaalfde lid, van overeenkomstige toepassing.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2026:824Parket bij de Hoge Raad, 28 augustus 2026 (belastingrecht)

    Art. 3.101 en 3.104 Wet IB 2001. Is de bijzondere invaliditeitsverhoging (BIV) belastbaar als periodieke uitkering? Is de BIV een publiekrechtelijke periodieke uitkering? Staat aan belastbaarheid van…

  • ECLI:NL:HR:2026:961Hoge Raad, 19 juni 2026 (belastingrecht)

    Inkomstenbelasting; art. 1.7, lid 2, letter c, Wet IB 2001; art. 2.14 Wet IB 2001; art. 3.81 Wet IB 2001; art. 3.82, aanhef en letter b, Wet IB 2001; art. 3.100, lid 1, aanhef en letter a, Wet IB…

  • ECLI:NL:HR:2025:378Hoge Raad, 14 maart 2025 (belastingrecht)

    Inkomstenbelasting; art. 2.14, 3.119a, 10bis.1, 10bis.9 Wet IB 2001. Bestaande eigen woningschuld. Verhouding rangorderegeling tot overgangsrecht in hoofdstuk 10bis Wet IB 2001

  • ECLI:NL:PHR:2024:1403Parket bij de Hoge Raad, 20 december 2024 (belastingrecht)

    Art. 2.14, 3.119a, 10bis.1, 10bis.9 Wet IB 2001. Bestaande eigenwoningschuld. Verhouding rangorderegeling tot overgangsrecht in hoofdstuk 10bis Wet IB 2001?

  • ECLI:NL:RBGEL:2026:6806Rechtbank Gelderland, 26 augustus 2026 (belastingrecht)

    Een oud-militair ontvangt vanwege arbeidsongeschiktheid een militair invaliditeitspensioen (MIP) en een bijzondere invaliditeitsverhoging (BIV). De inspecteur heeft de MIP en de BIV terecht in de…

  • ECLI:NL:GHDHA:2026:2315Gerechtshof Den Haag, 4 augustus 2026 (belastingrecht)

    Art. 3.1, lid 2, onderdeel d, Wet IB 2001. Artikel 3.100 Wet IB 2001. Art. 3.101, lid 1, aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001. Belanghebbende ontvangt maandelijks een militair invaliditeitspensioen…

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:15475Rechtbank Den Haag, 10 juni 2026 (belastingrecht)

    IB/PVV, gegrond, invaliditeitspensioen, ESA

  • ECLI:NL:GHDHA:2026:1895Gerechtshof Den Haag, 28 mei 2026 (belastingrecht)

    IB/PVV 2007 t/m 2016. Pensioenregeling ESA; tot 1 januari 1995 niet aan te merken als ‘onzuivere’ pensioenregeling; uitkeringen voor zover betrekking hebbend op aanspraken opgebouwd vóór 1 januari…

214 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.