Wet inkomstenbelasting 2001

IB

Huidige tekst

Artikel 1.7 IB

Geldt sinds 1 april 2017

Lijfrenten en pensioenen 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder lijfrente: a.een aanspraak volgens een overeenkomst van levensverzekering op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden, welke aanspraak niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven, of formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid kan dienen, anders dan op grond van artikel 3.126, eerste lid, onderdeel d, onder 2° , of ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, Invorderingswet 1990, alsmede de met een zodanige aanspraak verband houdende aanspraak op winstuitkeringen; b.een aanspraak op het tegoed van een lijfrenterekening of op de waarde van een lijfrentebeleggingsrecht ( artikel 3.126a ), welke aanspraak niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven, of formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid kan dienen, anders dan op grond van artikel 3.126a, tweede lid, onderdeel d, onder 2° , of ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, Invorderingswet 1990, alsmede de met een zodanige aanspraak verband houdende aanspraak op winstuitkeringen. 2 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder pensioenregeling: a.een pensioenregeling overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting; b.een pensioenregeling waaraan wordt deelgenomen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, de Wet op het notarisambt of de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zowel voor het deel waarvoor deelneming verplicht is (basispensioenregeling) als voor de vrijwillige aanvulling daarop. c. een regeling van een andere mogendheid, die volgens de belastingwetten van dat land, welke naar aard en strekking overeenkomen met de Nederlandse loonbelasting of de inkomstenbelasting, als een pensioenregeling wordt beschouwd; d. een pensioenregeling van een internationale organisatie; e. een pensioenregeling als bedoeld in artikel 6A van de Wet loonbelasting BES. 3 Aanspraken op periodieke uitkeringen waarvan de uitkeringen zijn ingegaan en waarvan de hoogte van de uitkeringen niet voor de gehele uitkeringsperiode in geldeenheden is vastgesteld, worden gelijkgesteld met aanspraken op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen indien de aanspraken en uitkeringen voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen regels. 4 Een aanspraak op het tegoed van een lijfrenterekening of op de waarde van een lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is, voor zover de ter zake ingelegde bedragen in aanmerking konden worden genomen voor de bepaling van het belastbare inkomen uit werk en woning, niet vatbaar voor beslag. 5 Onder een pensioenregeling als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt mede begrepen hetgeen wordt verkregen als gevolg van de voldoening van een te hoge premie die niet is gecorrigeerd binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar, bedoeld in artikel 36, onderdeel c, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling of artikel 26, onderdeel c, van de Pensioenwet. 6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan een regeling als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, die vrijwillig wordt voortgezet nadat de arbeidsverhouding op grond waarvan deelneming aan die pensioenregeling was verplicht is geëindigd, tevens als pensioenregeling wordt aangemerkt.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2023:891Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 2023 (belastingrecht)

    Art. 1.7, 3.81 en 3.82 Wet IB 2001; art. 10, 11 en 19d Wet LB. Op grond van welke bepaling in de Wet IB 2001 worden uitkeringen ontvangen van de Deutsche Rentenversicherung in de heffing betrokken?…

  • ECLI:NL:HR:2021:518Hoge Raad, 9 april 2021 (belastingrecht)

    art. 1.7, lid 2, aanhef en letter c, en art. 3.82, aanhef en letter b, Wet IB 2001; art. 10, lid 2, en art. 11, lid 1, aanhef, letters c en j, onder 1°, en 18, lid 1, aanhef en letter a, onder 1°, en…

  • ECLI:NL:PHR:2019:1369Parket bij de Hoge Raad, 20 december 2019 (belastingrecht)

    Het geschil betreft de vraag of de Belgische pensioenregeling van een in Nederland werkzame belastingplichtige kan worden aangemerkt als pensioenregeling in de zin van de Wet op de loonbelasting…

  • ECLI:NL:PHR:2018:1267Parket bij de Hoge Raad, 8 november 2018 (belastingrecht)

    A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 18/00136. In cassatie is in geschil of belanghebbende in 2013 recht heeft op verrekening van de door [A] in 2015 aangekondigde inhouding van…

  • ECLI:NL:RBZWB:2026:5242Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15 juni 2026 (belastingrecht)

    Conserverende aanslag IB/PVV 2020, revisierente. Beroep gegrond.

  • ECLI:NL:RBZWB:2026:2034Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 maart 2026 (belastingrecht)

    Art. 3.81 Wet IB 2001. Uitkering uit Anw-hiaatverzekering is belast als loon uit vroegere dienstbetrekking. Voldoende causaal verband met de dienstbetrekking.

  • ECLI:NL:GHDHA:2024:1666Gerechtshof Den Haag, 6 augustus 2024 (belastingrecht)

    Art. 3.82 Wet IB 2001; art. 26 IVBPR. Pensioenuitkering ontvangen van de Wereldbank in de heffing betrokken op grond van art. 3.82, aanhef en letter c, Wet IB 2001. Gelijke behandeling van ongelijke…

  • ECLI:NL:RBNNE:2024:2652Rechtbank Noord-Nederland, 16 juli 2024 (belastingrecht)

    IB, storting werkgever in pensioenplan kwalificeert als loon, werkelijk rendement box 3

53 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.