Burgerlijk Wetboek Boek 2

BW

Huidige tekst

Artikel 2:394 BW

Openbaarmaking van de jaarrekening redactionele omschrijving

Geldt sinds 19 september 2018

  1. 1

    De rechtspersoon is verplicht tot openbaarmaking van de jaarrekening binnen acht dagen na de vaststelling. De openbaarmaking geschiedt door deponering van de volledig in de Nederlandse taal gestelde jaarrekening of, als die niet is vervaardigd, de jaarrekening in het Frans, Duits of Engels, bij het handelsregister, indien van toepassing op de wijze als voorgeschreven bij of krachtens artikel 19a van de Handelsregisterwet 2007. De dag van vaststelling moet zijn vermeld.

  2. 2

    Is de jaarrekening niet binnen twee maanden na afloop van de voor het opmaken voorgeschreven termijn overeenkomstig de wettelijke voorschriften vastgesteld, dan maakt het bestuur onverwijld de opgemaakte jaarrekening op de in lid 1 voorgeschreven wijze openbaar; op de jaarrekening wordt vermeld dat zij nog niet is vastgesteld. Binnen twee maanden na gerechtelijke vernietiging van een jaarrekening moet de rechtspersoon een afschrift van de in de uitspraak opgenomen bevelen met betrekking tot de jaarrekening deponeren bij het handelsregister, met vermelding van de uitspraak.

  3. 3

    Uiterlijk twaalf maanden na afloop van het boekjaar moet de rechtspersoon de jaarrekening op de in lid 1 voorgeschreven wijze openbaar hebben gemaakt.

  4. 4

    Gelijktijdig met en op dezelfde wijze als de jaarrekening worden het bestuursverslag en de overige in artikel 392 bedoelde gegevens in het Nederlands of in een van de andere in het eerste lid genoemde talen openbaar gemaakt. Het voorafgaande geldt, behalve voor de in artikel 392 lid 1 onder a en e genoemde gegevens, niet, indien de stukken ten kantore van de rechtspersoon ter inzage van een ieder worden gehouden en op verzoek een volledig of gedeeltelijk afschrift daarvan ten hoogste tegen de kostprijs wordt verstrekt; hiervan doet de rechtspersoon opgaaf ter inschrijving in het handelsregister.

  5. 5

    De vorige leden gelden niet, indien Onze Minister van Economische Zaken de in artikel 58, artikel 101 of artikel 210 genoemde ontheffing heeft verleend; alsdan wordt een afschrift van die ontheffing bij het handelsregister gedeponeerd.

  6. 6

    De in de vorige leden bedoelde bescheiden worden gedurende zeven jaren bewaard. De Kamer van Koophandel mag de op deze bescheiden geplaatste gegevens overbrengen op andere gegevensdragers, die zij in hun plaats in het handelsregister bewaart, mits die overbrenging geschiedt met juiste en volledige weergave der gegevens en deze gegevens gedurende de volledige bewaartijd beschikbaar zijn en binnen redelijke tijd leesbaar kunnen worden gemaakt.

  7. 7

    Iedere belanghebbende kan van de rechtspersoon nakoming van de in de leden 1-5 omschreven verplichtingen vorderen.

  8. 8

    Een vennootschap waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht wordt geacht te hebben voldaan aan: a.lid 1, indien zij de vastgestelde jaarrekening op grond van artikel 5:25o, eerste lid, van die wet heeft toegezonden aan de Stichting Autoriteit Financiële Markten; b.lid 2, eerste volzin, indien zij mededeling heeft gedaan op grond van artikel 5:25o, tweede lid, van die wet aan de Stichting Autoriteit Financiële Markten; c.vierde lid, eerste volzin, indien zij het bestuursverslag en de overige in artikel 392 bedoelde gegevens op grond van artikel 5:25o, vierde lid, van de Wet op het financieel toezicht heeft toegezonden aan de Stichting Autoriteit Financiële Markten.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2024:1280Parket bij de Hoge Raad, 6 december 2024 (burgerlijk procesrecht)

    Appelprocesrecht, aanvang beroepstermijn (art. 339 Rv), verschoonbare termijnoverschrijding na beweerdelijke apparaatsfout, invloed onttrekking advocaat op aanvang beroepstermijn?

  • ECLI:NL:PHR:2023:760Parket bij de Hoge Raad, 1 september 2023 (ondernemingsrecht)

    Ondernemingsrecht. Bestuurdersaansprakelijkheid (o.a. art. 2:248 BW). Stelplicht/bewijslast alternatieve oorzaak faillissement. Administratieplicht en belangrijke oorzaak faillissement. Stellingen…

  • ECLI:NL:PHR:2022:1136Parket bij de Hoge Raad, 2 december 2022 (ondernemingsrecht)

    Ondernemingsrecht. Bestuurdersaansprakelijkheid. Art. 2:248 BW. Gronden matiging op voet art. 2:248 lid 4 BW.

  • ECLI:NL:PHR:2022:1023Parket bij de Hoge Raad, 4 november 2022 (ondernemingsrecht)

    Ondernemingsrecht. Bestuurdersaansprakelijkheid o.v.v. art. 2:248 BW. (Mede)beleidsbepaler in zin van art. 2:248 lid 7, eerste zin BW.

  • ECLI:NL:RBOVE:2026:6318Rechtbank Overijssel, 14 oktober 2026 (civiel recht)

    De rechtbank is van oordeel dat gedaagde bestuurder is geweest van het gefailleerde bedrijf. Het gefailleerde bedrijf heeft niet voldaan aan de wettelijke publicatie- en administratieplicht. Gedaagde…

  • ECLI:NL:RBROT:2026:13956Rechtbank Rotterdam, 30 september 2026 (ondernemingsrecht)

    Bestuurdersaansprakelijkheid. De bestuurders hebben aannemelijk gemaakt dat het faillissement is veroorzaakt door externe omstandigheden. Zij hebben het bewijsvermoeden dat onbehoorlijk bestuur een…

  • ECLI:NL:RBZWB:2026:8751Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 9 september 2026 (civiel recht)

    Eindvonnis. Omvang van de rechten van de pandhouder op vermogensbestanddelen van failliet, voor en na datum faillissement. Pandrechten op NOW en TVL gelden?

  • ECLI:NL:RBOVE:2026:5191Rechtbank Overijssel, 19 augustus 2026 (civiel recht)

    Bestuurdersaansprakelijkheid

523 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.