Burgerlijk Wetboek Boek 2

BW

Huidige tekst

Artikel 2:248 BW

Aansprakelijkheid van bestuurders bij faillissement (bv) redactionele omschrijving

Geldt sinds 1 juli 2021

  1. 1

    In geval van faillissement van de vennootschap is iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement.

  2. 2

    Indien het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit de artikelen 10 of 394, heeft het zijn taak onbehoorlijk vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Hetzelfde geldt indien de vennootschap volledig aansprakelijk vennoot is van een vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap en niet voldaan is aan de verplichtingen uit artikel 15i van Boek 3. Een onbelangrijk verzuim wordt niet in aanmerking genomen.

  3. 3

    Niet aansprakelijk is de bestuurder die bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.

  4. 4

    De rechter kan het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, de andere oorzaken van het faillissement, alsmede de wijze waarop dit is afgewikkeld. De rechter kan voorts het bedrag van de aansprakelijkheid van een afzonderlijke bestuurder verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de tijd gedurende welke die bestuurder als zodanig in functie is geweest in de periode waarin de onbehoorlijke taakvervulling plaats vond.

  5. 5

    Is de omvang van het tekort nog niet bekend, dan kan de rechter, al dan niet met toepassing van het vierde lid, bepalen dat van het tekort tot betaling waarvan hij de bestuurders veroordeelt, een staat wordt opgemaakt overeenkomstig de bepalingen van de zesde titel van het tweede boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

  6. 6

    De vordering kan slechts worden ingesteld op grond van onbehoorlijke taakvervulling in de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement. Een aan de bestuurder verleende kwijting staat aan het instellen van de vordering niet in de weg. De bestuurder is niet bevoegd tot verrekening met een vordering op de vennootschap.

  7. 7

    Met een bestuurder wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld degene die het beleid van de vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder. De vordering kan niet worden ingesteld tegen een door de rechter benoemde bewindvoerder of een door de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam aangestelde bestuurder als bedoeld in artikel 356, onder c.

  8. 8

    Dit artikel laat onverlet de bevoegdheid van de curator tot het instellen van een vordering op grond van de overeenkomst met de bestuurder of op grond van artikel 9.

  9. 9

    Indien een bestuurder ingevolge dit artikel aansprakelijk is en niet in staat is tot betaling van zijn schuld terzake, kan de curator de door die bestuurder onverplicht verrichte rechtshandelingen waardoor de mogelijkheid tot verhaal op hem is verminderd, ten behoeve van de boedel door een buitengerechtelijke verklaring vernietigen, indien aannemelijk is dat deze geheel of nagenoeg geheel met het oogmerk van vermindering van dat verhaal zijn verricht. Artikel 45 leden 4 en 5 van Boek 3 is van overeenkomstige toepassing.

  10. 10

    Artikel 138 lid 10 is van toepassing.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2026:352Parket bij de Hoge Raad, 27 maart 2026 (civiel recht)

    Uitlating art. 80a RO. Voldoen de klachten aan de daaraan te stellen eisen?

  • ECLI:NL:PHR:2025:1118Parket bij de Hoge Raad, 14 oktober 2025 (strafrecht)

    Conclusie AG. Faillissementsfraude (art. 343 (oud) Sr). M1: Kan de verdachte als ‘bestuurder’ worden aangemerkt? Gelet op ’s hofs vaststellingen over de feitelijke gedragingen van de verdachte moet…

  • ECLI:NL:PHR:2025:1042Parket bij de Hoge Raad, 26 september 2025 (civiel recht)

    Vermogensrecht. Art. 3:83 BW. Zijn vorderingen uit hoofde van de NOW- en TVL-regeling (coronasteun) overdraagbaar en daarmee verpandbaar? Sprongcassatie. Rb. beantwoordt deze vraag bevestigend.…

  • ECLI:NL:PHR:2025:1045Parket bij de Hoge Raad, 26 september 2025 (verbintenissenrecht)

    Ondernemingsrecht, verbintenissenrecht. Bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement (art. 2:248 BW), onrechtmatig beslag. Hoofd- en vrijwaringszaak. O.a. klachten over invulling van…

  • ECLI:NL:RBOVE:2026:6318Rechtbank Overijssel, 14 oktober 2026 (civiel recht)

    De rechtbank is van oordeel dat gedaagde bestuurder is geweest van het gefailleerde bedrijf. Het gefailleerde bedrijf heeft niet voldaan aan de wettelijke publicatie- en administratieplicht. Gedaagde…

  • ECLI:NL:GHDHA:2026:3006Gerechtshof Den Haag, 13 oktober 2026 (ondernemingsrecht)

    Gefailleerde onderneming. Bestuursaansprakelijkheid op grond van art. 2:248 lid 1 BW. Ruzie tussen bestuurders. Geen disculpatie op grond van art. 2:248 lid 3 BW. Ontvankelijkheid in hoger beroep…

  • ECLI:NL:RBROT:2026:13438Rechtbank Rotterdam, 2 oktober 2026 (verbintenissenrecht)

    Bestuurdersaansprakelijkheid. Onvoldoende gesteld.

  • ECLI:NL:RBROT:2026:13956Rechtbank Rotterdam, 30 september 2026 (ondernemingsrecht)

    Bestuurdersaansprakelijkheid. De bestuurders hebben aannemelijk gemaakt dat het faillissement is veroorzaakt door externe omstandigheden. Zij hebben het bewijsvermoeden dat onbehoorlijk bestuur een…

1.332 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.