Burgerlijk Wetboek Boek 2

BW

Huidige tekst

Artikel 2:349a BW

Geldt sinds 1 januari 2013

  1. 1

    De ondernemingskamer behandelt het verzoek met de meeste spoed. In afwijking van artikel 282 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan iedere belanghebbende een verweerschrift indienen tot een door de ondernemingskamer bepaald tijdstip voorafgaand aan de aanvang van de behandeling. De verzoekers en de rechtspersoon verschijnen hetzij bij advocaat, hetzij bijgestaan door hun advocaten. Alvorens te beslissen kan de ondernemingskamer ook ambtshalve getuigen en deskundigen horen.

  2. 2

    Indien gelet op de belangen van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken een onmiddellijke voorziening vereist is in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek, kan de ondernemingskamer in elke stand van het geding op verzoek van de indieners van het in artikel 345 bedoelde verzoek een zodanige voorziening treffen voor ten hoogste de duur van het geding. Artikel 357 lid 6 is van overeenkomstige toepassing.

  3. 3

    Ingeval nog geen onderzoek is gelast, wordt een onmiddellijke voorziening slechts getroffen indien er naar het voorlopig oordeel van de ondernemingskamer gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen. De ondernemingskamer beslist daarna binnen een redelijke termijn op het verzoek als bedoeld in artikel 345.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2026:584Parket bij de Hoge Raad, 12 juni 2026 (ondernemingsrecht)

    Ondernemingsrecht. Enquêterecht. Procesrecht. Ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen (art. 2:349a BW). Schending van recht op eerlijk proces (art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM) en van…

  • ECLI:NL:PHR:2026:585Parket bij de Hoge Raad, 12 juni 2026 (ondernemingsrecht)

    Ondernemingsrecht. Enquêterecht. Procesrecht. Ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen (art. 2:349a BW). Schending van recht op eerlijk proces (art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM)? Staat als…

  • ECLI:NL:PHR:2025:436Parket bij de Hoge Raad, 11 april 2025 (burgerlijk procesrecht)

    Procesrecht. Executiegeschil, verbeurte van dwangsommen. Gezag van gewijsde van beschikking in enquêteprocedure (art. 2:349a lid 2 BW) waarin ondernemingskamer als dwangsomrechter optrad? Rechts- en…

  • ECLI:NL:PHR:2025:365Parket bij de Hoge Raad, 21 maart 2025 (ondernemingsrecht)

    Ondernemingsrecht. Enquêterecht. Geschil binnen joint venture. Afwijzing door ondernemingskamer van verzoek tot treffen van nadere onmiddellijke voorzieningen en van verzoek tot opheffen van reeds…

  • ECLI:NL:GHAMS:2026:2826Gerechtshof Amsterdam, 21 september 2026 (ondernemingsrecht)

    Ondernemingskamer; enquêteverzoek; onmiddellijke voorziening; tijdelijk bestuurder; voorlopig oordeel; gegronde redenen

  • ECLI:NL:GHAMS:2026:1473Gerechtshof Amsterdam, 26 mei 2026 (ondernemingsrecht)

    Ondernemingskamer; enquêterecht; geschillenregeling; gecombineerd verzoek; maatstaf onmiddellijke voorzieningen en voorlopige voorzieningen; voor zover een verzoeker, verweerder of belanghebbende in…

  • ECLI:NL:GHAMS:2026:743Gerechtshof Amsterdam, 19 maart 2026 (ondernemingsrecht)

    OK; enquête; eerste fase; onmiddellijke voorzieningen; afwijzing

  • ECLI:NL:GHAMS:2025:3620Gerechtshof Amsterdam, 30 december 2025 (ondernemingsrecht)

    OK; enquête; aanvullende onmiddellijke voorzieningen; besluit tot nemen statutenwijziging; toewijzing

291 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.