Algemene wet bestuursrecht

Awb

Huidige tekst

Artikel 8:111 Awb

Geldt sinds 1 juli 2013

  1. 1

    Niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep heeft geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep, tenzij die niet-ontvankelijkheid het gevolg is van: a.overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep, b.overschrijding van de termijn voor betaling van het griffierecht, of c.de omstandigheid dat degene die het hoger beroep heeft ingesteld daartoe niet gerechtigd was.

  2. 2

    Intrekking van het hoger beroep na aanvang van de termijn voor het instellen van incidenteel hoger beroep heeft geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2025:620Parket bij de Hoge Raad, 30 mei 2025 (belastingrecht)

    Ontvankelijkheid van het incidentele beroep na intrekking van het principale beroep; prematuur incidenteel beroep in cassatie; art. 3.55, lid 7, Wet IB 2001.

  • ECLI:NL:PHR:2018:127Parket bij de Hoge Raad, 31 januari 2018 (belastingrecht)

    A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van de beroepen in cassatie van respectievelijk [X1] B.V. en V.O.F. [X2] tegen de inhoud van de brief van gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 31 mei…

  • ECLI:NL:RVS:2026:5020Raad van State, 26 augustus 2026 (bestuursrecht)

    Bij besluit van 2 april 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland het verzoek van [partij] om handhavend op te treden tegen twee dakramen in de woning van [appellant] op het…

  • ECLI:NL:CRVB:2026:985Centrale Raad van Beroep, 30 juli 2026 (socialezekerheidsrecht)

    De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan ingevolge artikel 2, derde lid, van het Bpb van de forfaitaire…

  • ECLI:NL:CRVB:2026:986Centrale Raad van Beroep, 30 juli 2026 (socialezekerheidsrecht)

    De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan ingevolge artikel 2, derde lid, van het Bpb van de forfaitaire…

  • ECLI:NL:GHDHA:2026:2429Gerechtshof Den Haag, 16 juli 2026 (belastingrecht)

    Belanghebbende was in de onderhavige jaren (2011 t/m 2013) samen met haar echtgenoot en hun zoon vennoot van een vof. In de vof werd een schip geëxploiteerd, waarmee plantaardige olie (spijsolie)…

  • ECLI:NL:GHDHA:2026:2431Gerechtshof Den Haag, 16 juli 2026 (belastingrecht)

    Belanghebbende exploiteert in een vof een schip waarmee plantaardige olie (spijsolie) wordt vervoerd. De ladingtanks van het schip worden regelmatig gereinigd door deze schoon te spoelen met water.…

  • ECLI:NL:GHDHA:2026:2432Gerechtshof Den Haag, 16 juli 2026 (belastingrecht)

    Belanghebbende exploiteert in een vof een schip waarmee plantaardige olie (spijsolie) wordt vervoerd. De ladingtanks van het schip worden regelmatig gereinigd door deze schoon te spoelen met water.…

32 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.