Burgerlijk Wetboek Boek 6

BW

Huidige tekst

Artikel 6:119a BW

Geldt sinds 1 juli 2022

  1. 1

    De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in het geval van een handelsovereenkomst in de wettelijke rente van die som met ingang van de dag volgend op de dag die is overeengekomen als de uiterste dag van betaling tot en met de dag waarop de schuldenaar de geldsom heeft voldaan. Onder handelsovereenkomst wordt verstaan de overeenkomst om baat die een of meer van de partijen verplicht iets te geven of te doen en die tot stand is gekomen tussen een of meer natuurlijke personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf of rechtspersonen.

  2. 2

    Indien geen uiterste dag van betaling is overeengekomen, is de wettelijke rente van rechtswege verschuldigd: a.vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldenaar de factuur heeft ontvangen, of b.indien de datum van ontvangst van de factuur niet vaststaat, of indien de schuldenaar de factuur ontvangt voordat hij de prestatie heeft ontvangen, vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de prestatie is ontvangen, of c.indien de schuldenaar een termijn heeft bedongen waarbinnen hij de ontvangen prestatie kan aanvaarden dan wel kan beoordelen of deze aan de overeenkomst beantwoordt, en indien hij de factuur ontvangt voordat hij de prestatie heeft aanvaard of beoordeeld, vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldenaar de prestatie heeft aanvaard of beoordeeld, dan wel, indien hij zich niet over goedkeuring of aanvaarding uitspreekt, vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag volgende op die waarop de termijn verstrijkt.

  3. 3

    Telkens na afloop van een jaar wordt het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

  4. 4

    De termijn bedoeld in lid 2 onder c bedraagt niet meer dan 30 dagen vanaf de datum van ontvangst van de prestatie, tenzij partijen uitdrukkelijk een langere termijn overeenkomen en deze termijn niet kennelijk onbillijk is jegens de schuldeiser, mede gelet op: a.de vraag of de schuldenaar objectieve redenen heeft om af te wijken van de 30 dagen termijn; b.de aard van de prestatie; en c.elke aanmerkelijke afwijking van goede handelspraktijken.

  5. 5

    Partijen kunnen een uiterste dag van betaling overeenkomen van ten hoogste 60 dagen, tenzij zij uitdrukkelijk een langere termijn van betaling in de overeenkomst opnemen en deze termijn niet kennelijk onbillijk is jegens de schuldeiser, mede gelet op: a.de vraag of de schuldenaar objectieve redenen heeft om af te wijken van de 60 dagen termijn; b.de aard van de prestatie; en c.elke aanmerkelijke afwijking van goede handelspraktijken.

  6. 6

    In afwijking van lid 5 kunnen partijen geen uiterste dag van betaling overeenkomen van meer dan 30 dagen indien de schuldenaar een rechtspersoon is die op twee opeenvolgende balansdata, zonder onderbreking nadien op twee opeenvolgende balansdata, niet heeft voldaan aan ten minste twee van de vereisten, bedoeld in artikel 397, leden 1 en 2 van Boek 2, en de schuldeiser een natuurlijk persoon is die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf of een rechtspersoon, die gedurende die periode aan ten minste twee van die vereisten heeft voldaan. Een beding in een overeenkomst in strijd met de vorige zin is nietig.

  7. 7

    Geen wettelijke rente is verschuldigd wanneer de schuldeiser zelf in verzuim is.

  8. 8

    De wettelijke rente is verschuldigd behalve voor zover de vertraging niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend.

  9. 9

    Voor de toepassing van dit artikel wordt met de wettelijke rente gelijkgesteld een andere overeengekomen rente.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2026:860Parket bij de Hoge Raad, 11 september 2026 (arbeidsrecht)

    Aanneming van werk; rechtvaardigt de tekortkoming de ontbinding? (art. 6:265 lid 1 BW); art. 7:754 lid 1 BW; art. 7:760 lid 2 en 3 BW.

  • ECLI:NL:PHR:2026:211Parket bij de Hoge Raad, 27 februari 2026 (verbintenissenrecht)

    Aanneming van werk. Verbintenissenrecht. Procesrecht. Geschil tussen bepaalde partijen in aannemingsketen (betreffende aanleg van nieuwe A-pier op luchthaven Schiphol) over afrekenen na beëindiging…

  • ECLI:NL:PHR:2026:182Parket bij de Hoge Raad, 20 februari 2026 (verbintenissenrecht)

    Pacht van een hoeve. Opschorting door de huurder van de volledige pachtprijs i.v.m. gebreken in opstallen. Voorlopig oordeel over omvang tegenvordering. Persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurder.…

  • ECLI:NL:HR:2026:59Hoge Raad, 16 januari 2026 (belastingrecht)

    Vennootschapsbelasting en belastingrente; art. 30hb AWR; art. 1, aanhef en letters a en b, van het Besluit belasting- en invorderingsrente; art. 1 Grondwet; artt. 6, 7 en 14 EVRM; art. 1 EP; art. 48…

  • ECLI:NL:RBROT:2026:14416Rechtbank Rotterdam, 21 oktober 2026 (verbintenissenrecht)

    Geschil over opzegvergoeding energiecontract. Vraag of de energieleverancier een opzegvergoeding in rekening mocht brengen en of zij de hoogte van deze vergoeding voldoende heeft onderbouwd.…

  • ECLI:NL:RBROT:2026:13899Rechtbank Rotterdam, 16 oktober 2026 (verbintenissenrecht)

    Vordering onbetaalde factuur toegewezen. Gedaagde had eiseres, een incassobureau, ingeschakeld om een vordering op een debiteur te innen. Hoewel de rechtszaak tegen de debiteur werd gewonnen, bleek…

  • ECLI:NL:RBROT:2026:14097Rechtbank Rotterdam, 16 oktober 2026 (verbintenissenrecht)

    Geschil over facturen voor belastingadvieswerkzaamheden. Vraag of vooraf kosteninschatting had moeten worden gegeven en of onnodige werkzaamheden zijn verricht.

  • ECLI:NL:RBAMS:2026:10193Rechtbank Amsterdam, 15 oktober 2026 (internationaal privaatrecht)

    IPR, verstek (eindvonnis). Eiseres heeft printscreens overgelegd waarop te zien is dat een schadehersteller, zoals gedaagde partij, akkoord dient te gaan met de AV van eiseres voordat zij een offerte…

6.589 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.