Burgerlijk Wetboek Boek 6

BW

Huidige tekst

Artikel 6:108 BW

Schadevergoeding voor nabestaanden bij overlijden redactionele omschrijving

Geldt sinds 1 januari 2019

  1. 1

    Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, is die ander verplicht tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud: a.aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner en de minderjarige kinderen van de overledene, tot ten minste het bedrag van het hun krachtens de wet verschuldigde levensonderhoud; b.aan andere bloed- of aanverwanten van de overledene, mits deze reeds ten tijde van het overlijden geheel of ten dele in hun levensonderhoud voorzag of daartoe krachtens rechterlijke uitspraak verplicht was; c.aan degenen die reeds vóór de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, met de overledene in gezinsverband samenwoonden en in wier levensonderhoud hij geheel of voor een groot deel voorzag, voor zover aannemelijk is dat een en ander zonder het overlijden zou zijn voortgezet en zij redelijkerwijze niet voldoende in hun levensonderhoud kunnen voorzien; d.aan degene die met de overledene in gezinsverband samenwoonde en in wiens levensonderhoud de overledene bijdroeg door het doen van de gemeenschappelijke huishouding, voor zover hij schade lijdt doordat na het overlijden op andere wijze in de gang van deze huishouding moet worden voorzien.

  2. 2

    Bovendien is de aansprakelijke verplicht aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze kosten te vergoeden, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.

  3. 3

    Voorts is de aansprakelijke verplicht tot vergoeding van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, geleden door de in lid 4 genoemde naasten als gevolg van het overlijden.

  4. 4

    De naasten, bedoeld in lid 3, zijn: a.de ten tijde van de gebeurtenis niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerde partner van de overledene; b.de levensgezel van de overledene, die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert; c.degene die ten tijde van de gebeurtenis ouder van de overledene is; d.degene die ten tijde van de gebeurtenis het kind van de overledene is; e.degene die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de overledene heeft; f.degene voor wie de overledene ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg heeft; g.een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt.

  5. 5

    Hij die krachtens de vorige leden tot schadevergoeding wordt aangesproken, kan hetzelfde verweer voeren, dat hem tegenover de overledene zou hebben ten dienste gestaan.

  6. 6

    Geen recht op vergoeding van de in lid 3 bedoelde schade bestaat, voor zover de rechthebbende op grond van dezelfde gebeurtenis reeds een vergoeding uit hoofde van artikel 107 lid 1 onder b heeft ontvangen.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2026:830Parket bij de Hoge Raad, 1 september 2026 (strafrecht)

    Conclusie AG. Veroordeling voor o.m. doodslag en poging tot doodslag (art. 45, 287 Sr). Falende middelen over het bewijs van het opzet t.a.v. poging tot doodslag, de verwerping van het beroep op…

  • ECLI:NL:PHR:2026:769Parket bij de Hoge Raad, 18 augustus 2026 (strafrecht)

    Conclusie AG. Doodslag en verbergen lijk. Middelen over (1) bewezenverklaring doodslag, (2) verwerping beroep op noodweer en (3) toekennen affectieschade aan broer en zus slachtoffer. Eerste twee…

  • ECLI:NL:HR:2026:1264Hoge Raad, 14 juli 2026 (strafrecht)

    Doodslag, art. 287 Sr. TBS met dwangverpleging opgelegd. Vordering benadeelde partij t.z.v. vergoeding van affectieschade en oplegging schadevergoedingsmaatregel. Kan b.p. (stiefvader van…

  • ECLI:NL:PHR:2026:563Parket bij de Hoge Raad, 9 juni 2026 (strafrecht)

    Conclusie AG. Veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval (art. 6 WVW 1994). Middel 1 komt op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte onvoorzichtig heeft gehandeld rondom zijn diabetes…

  • ECLI:NL:GHARL:2026:6489Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 oktober 2026 (strafrecht)

    Het hof veroordeelt verdachte voor doodslag op zijn vriendin tot een gevangenisstraf van elf jaren en zes maanden. Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank in 2024 opgelegde gevangenisstraf…

  • ECLI:NL:GHARL:2026:6511Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 oktober 2026 (strafrecht)

    Het hof veroordeelt verdachte voor het overtreden van artikel 6 van de Wegenverkeerwet door aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag met een zwaarbeladen aanhanger. Ten gevolge…

  • ECLI:NL:RBMNE:2026:6848Rechtbank Midden-Nederland, 7 oktober 2026 (strafrecht)

    Verdachte wordt veroordeeld voor het overtreden van artikel 6 WVW waarbij een ander is gedood. De verdachte heeft in Lelystad meegedaan aan een bijeenkomst waarbij verschillende driftmotoren op de…

  • ECLI:NL:RBZWB:2026:9671Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 7 oktober 2026 (strafrecht)

    Gevangenisstraf van 10 jaar voor doodslag gepleegd in 2017. Forse overschrijding redelijke termijn. Vrijspraak van moord en medeplegen.

1.623 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.