Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Rotterdam, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14416Zaaknummer C/10/712798 HA ZA 26-19
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/10/712798 HA ZA 26-19
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Geschil over opzegvergoeding energiecontract. Vraag of de energieleverancier een opzegvergoeding in rekening mocht brengen en of zij de hoogte van deze vergoeding voldoende heeft onderbouwd. Reconventionele vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling.
De rechtbank
in conventie
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
in reconventie
veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagde 1] te betalen een bedrag van € 8.220,35, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
in conventie en in reconventie
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten die aan de kant van [gedaagde 1] worden begroot op € 5.469,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
| Dit vonnis is gewezen door mr. I. van Drongelen en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026. 4043/2537 |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/712798 / HA ZA 26-19
Vonnis van 21 oktober 2026
in de zaak van
[eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats 2],
eiser in conventie, verweerder in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres],
advocaat: mr. M. van Mourik,
tegen
1 [gedaagde 1].,
gevestigd te [vestigingsplaats 1],
hierna te noemen: [gedaagde 1]2. [gedaagde 2],
wonend te [woonplaats 1],
hierna te noemen: [gedaagde 2],3. [gedaagde 3],
wonend te [woonplaats 2],
hierna te noemen: [gedaagde 3],4. [gedaagde 4],
wonend te [woonplaats 3],
hierna te noemen: [gedaagde 4],
gedaagden in conventie, eisers in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1],
advocaat: mr. A.T. de Putter.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 december 2025
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie
- de conclusie van antwoord in reconventie
- de mondelinge behandeling van 15 juni 2026 en de bij die gelegenheid door beide partijen overgelegde spreekaantekeningen
- de akte van [eiseres]
- de antwoordakte van [gedaagde 1]
2 De zaak in het kort
[gedaagde 1] heeft een energiecontract gesloten bij [eiseres] voor de duur van drie jaar. [gedaagde 1] heeft de overeenkomst voor het einde van de looptijd beëindigd en een andere leverancier gecontracteerd. Daarop heeft [eiseres] op grond van de overeenkomst een opzegvergoeding van € 43.547,76 in rekening gebracht. [gedaagde 1] heeft een deel hiervan betaald. [eiseres] vordert in deze procedure betaling van het resterende bedrag van € 35.327,21 met rente en incassokosten. [gedaagde 1] zijn het hier niet mee eens. Zij voeren aan dat [eiseres] geen opzegvergoeding in rekening mag brengen en dat de berekening van de vergoeding niet transparant is. Zij stellen dat [gedaagde 1] een bedrag van € 8.220,35 onverschuldigd heeft betaald en vorderen in reconventie terugbetaling van dit bedrag met rente en incassokosten.
De rechtbank oordeelt dat [eiseres] op zichzelf een opzegvergoeding in rekening mocht brengen, maar dat zij de hoogte van deze vergoeding onvoldoende heeft onderbouwd. De vorderingen van [eiseres] in conventie worden daarom afgewezen. De vorderingen van [gedaagde 1] in reconventie worden grotendeels toegewezen. Dit wordt hierna toegelicht.
3 De beoordeling
In conventie en in reconventie
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Wat is er gebeurd?
[gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] zijn vennoten van de vennootschap onder firma [gedaagde 1]. [gedaagde 1] heeft op 28 oktober 2022 een overeenkomst gesloten met [eiseres] met betrekking tot de levering van gas en elektriciteit. De overeenkomst is aangegaan voor de periode van 1 december 2022 tot 1 januari 2026. De overeenkomst is tot stand gekomen via bemiddelaar [bedrijf]. Daarbij is een offerte opgesteld die [gedaagde 4] namens [gedaagde 1] via het digitale Salesdocksysteem voor akkoord heeft getekend. [eiseres] heeft per e-mail een bevestigingsbrief gestuurd aan [gedaagde 1]. Daarbij waren de algemene voorwaarden en de contractvoorwaarden gevoegd. In artikel 20.4 van de algemene voorwaarden is de volgende bepaling opgenomen:
"Indien partijen een leveringsovereenkomst voor bepaalde tijd zijn aangegaan en de leveringsovereenkomst wordt tussentijds beëindigd, dan is de leverancier gerechtigd om een opzegvergoeding bij de contractant in rekening te brengen conform de contractvoorwaarden."
In artikel 3.4 van de contractvoorwaarden is de volgende bepaling opgenomen:
"Bij voortijdige beëindiging van het contract met [eiseres] kan [eiseres] u een opzegvergoeding in rekening brengen. De opzegvergoeding bedraagt het verschil tussen de waarde van de overeenkomst op basis van de marktprijs op het moment van beëindigen en de resterende waarde van de overeenkomst, plus een administratieve vergoeding van maximaal 50 euro."
Op 21 maart 2023 heeft [gedaagde 1] bij [eiseres] geïnformeerd wat de hoogte van de opzegvergoeding zou zijn als zij de overeenkomst voortijdig zou beëindigen. [eiseres] heeft [gedaagde 1] laten weten dat de opzegvergoeding bij een beëindiging op dat moment € 72.132,03 zou bedragen.
Op 12 december 2023 heeft [gedaagde 1] nogmaals geïnformeerd naar de hoogte van de opzegvergoeding. [eiseres] heeft toen bericht dat de vergoeding op dat moment € 68.383,38 zou bedragen. Daarbij heeft zij een indicatieve berekening van de vergoeding aan [gedaagde 1] gestuurd. Vervolgens heeft [gedaagde 1] aan [eiseres] laten weten dat zij overwoog om een contract met een andere energieleverancier te sluiten en de opzegvergoeding voor lief te nemen. [eiseres] heeft daarop het aanbod gedaan om de tarieven te verlagen als de overeenkomst met twee aanvullende jaren verlengd zou worden. [gedaagde 1] is niet op dit aanbod ingegaan.
[eiseres] heeft vervolgens een bericht ontvangen van de netbeheerder dat een andere leverancier vanaf 1 juni 2024 zou gaan leveren aan [gedaagde 1]. Daardoor is de levering van energie door [eiseres] per die datum geëindigd. [eiseres] heeft op 6 juni 2024 een opzegvergoeding van € 43.547,76 in rekening gebracht bij [gedaagde 1].
Op 18 juni 2024 heeft [eiseres] een factuur voor de eindafrekening aan [gedaagde 1] gestuurd. Dit betrof een bedrag van € 51.327,21 en bestond uit de opzegvergoeding en de kosten van de afgenomen energie tot en met 31 mei 2024. Op 21 juni 2024 heeft [gedaagde 1] contact opgenomen met de klantenservice van [eiseres] en laten weten dat zij het niet eens was met de hoogte van de opzegvergoeding. [gedaagde 1] heeft op 2 juli 2024 een bedrag van € 2.500,00 aan [eiseres] betaald. [eiseres] heeft de rest van het in rekening gebrachte bedrag proberen te incasseren, maar dat is niet gelukt. Vervolgens zijn partijen een betalingsregeling overeengekomen. [gedaagde 1] heeft op grond daarvan een aantal betalingen verricht en is daarna gestopt met betalen. In totaal heeft [gedaagde 1] € 16.000,- van de eindafrekening aan [eiseres] betaald. [eiseres] vordert in deze procedure betaling van het resterende bedrag van € 35.327,21 met rente en kosten.
[eiseres] mocht een opzegvergoeding in rekening brengen
[gedaagde 1] voeren aan dat de bepaling ten aanzien van de opzegvergoeding onredelijk bezwarend is omdat deze in strijd is met de Richtsnoeren Redelijke Opzegvergoedingen Vergunninghouders (hierna: de Richtsnoeren) die van toepassing waren op het moment van het sluiten van de overeenkomst. [gedaagde 1] stellen niet dat de bepaling vernietigbaar is (artikel 6:233 sub a BW). De rechtbank zal daarom niet ingaan op de vraag of de bepaling moet worden vernietigd. Voor zover [gedaagde 1] betogen dat de opzegvergoeding niet in rekening mocht worden gebracht omdat de bepaling niet in lijn is met de Richtsnoeren oordeelt de rechtbank als volgt.
In de Richtsnoeren is onder meer het volgende bepaald:
“Op grond van artikel 95m lid 11 van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 52b lid 11 van de Gaswet kan de leverancier in een overeenkomst voor bepaalde duur opnemen dat de afnemer, bij tussentijdse beëindiging van de overeenkomst, een redelijke vergoeding is verschuldigd. In de afdelingen een tot en met drie van deze titel geeft de ACM weer wat zij onder een redelijke opzegvergoeding verstaat.
(…)
Artikel 6
De ACM oordeelt dat er sprake is van een redelijke opzegvergoeding voor kleinzakelijke afnemers indien deze voldoet aan één van drie onderstaande criteria:
1. de opzegvergoeding bedraagt maximaal 15% van de resterende (verwachte) waarde van de overeenkomst;
2. de opzegvergoeding bedraagt het verschil tussen de waarde van de overeenkomst op basis van de marktprijs op het moment van beëindigen en de resterende waarde van de overeenkomst, plus een administratieve vergoeding van maximaal 50 euro; of,
3. de opzegvergoeding bedraagt maximaal 100 euro per niet uitgediend jaar.
(…)
Artikel 8
1. De ACM oordeelt dat er sprake is van een redelijke voorwaarde indien het beding, op grond waarvan de vergunninghouder het recht verkrijgt een opzegvergoeding in rekening te brengen, wordt opgenomen in de overeenkomst, waarbij duidelijk wordt aangegeven wat de hoogte van de opzegvergoeding is.”
Partijen zijn het erover eens dat het in dit geval gaat om een contract voor bepaalde duur en dat [gedaagde 1] is te zien als een kleinzakelijke afnemer. Dat brengt met zich dat de bepalingen die zien op contracten met consumenten niet van toepassing zijn. Het beroep van [gedaagde 1] op artikel 7 lid 1 van de Richtsnoeren dat ziet op contracten met variabele tarieven gaat daarom niet op. Daarbij overweegt de rechtbank ten overvloede dat in dit geval wel sprake is van een contract met vaste tarieven. De tarieven zijn namelijk vastgelegd voor de gehele duur van de overeenkomst en bewegen niet mee met de markt.
[eiseres] heeft voor het berekenen van de opzegvergoeding de bepaling in artikel 3.4 van de contractvoorwaarden tot uitgangspunt genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze wijze van berekenen op zichzelf in lijn met het tweede criterium genoemd in artikel 6 van de Richtsnoeren. Dat betekent echter nog niet dat de vorderingen van [eiseres] kunnen worden toegewezen. Dit wordt hierna uitgelegd.
[eiseres] heeft de hoogte van de opzegvergoeding onvoldoende onderbouwd
[eiseres] stelt dat het verschil tussen de waarde van de overeenkomst op basis van de marktprijs op het moment van beëindigen en de resterende waarde van de overeenkomst, plus een administratieve vergoeding van maximaal 50 euro, uitkomt op een bedrag van € 43.547,76. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] de hoogte van de opzegvergoeding onvoldoende heeft onderbouwd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Voorop staat dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de hoogte van de opzegvergoeding op [eiseres] rust (artikel 150 Rv). [eiseres] heeft bij de dagvaarding niet de gegevens gevoegd die zij voor de berekening heeft gebruikt. Hoewel de rechtbank in de zittingsagenda had aangekondigd dat de onderbouwing van de vergoeding ter zitting aan de orde zou komen, was [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling niet in staat deze gegevens te verstrekken. Omdat [eiseres] stelde wel over deze gegevens te beschikken, heeft de rechtbank [eiseres] de gelegenheid gegeven de gegevens bij akte alsnog over te leggen. [eiseres] heeft vervolgens gegevens in het geding gebracht op basis waarvan zij de opzegvergoeding stelt te hebben berekend. [gedaagde 1] hebben gemotiveerd betwist dat uit deze gegevens kan worden afgeleid dat de opzegvergoeding € 43.547,76 bedraagt.
[eiseres] stelt dat zij de waarde van de overeenkomst voor wat betreft elektriciteit heeft berekend op basis van het overeengekomen enkeltarief. Zij stelt geen rekening te hebben gehouden met het piek- en daltarief, omdat [gedaagde 1] niet beschikt over een slimme meter en deze gegevens niet kunnen worden gemeten. [eiseres] heeft echter in de eindafrekening wel een overzicht opgenomen van de afgenomen elektriciteit tijdens piek- en daluren en daarnaast in de berekening van de indicatieve vergoeding van 12 december 2023 rekening gehouden met piek- en daluren. [eiseres] heeft onvoldoende onderbouwd dat hiermee bij de definitieve berekening geen rekening kon worden gehouden.
[eiseres] stelt dat de marktprijs voor elektriciteit op het moment van beëindigen van het contract moet worden berekend op basis van de door The Ice gepubliceerde markttarieven op 31 mei 2024. [eiseres] heeft een overzicht van de gepubliceerde piektarieven op die dag overgelegd, maar heeft niet uitgelegd hoe zij tot de daltarieven is gekomen. Daarmee heeft [eiseres] niet inzichtelijk gemaakt waarop de door haar gebruikte daltarieven zijn gebaseerd. [eiseres] geeft bovendien aan dat de vergoeding op basis van de door The Ice gepubliceerde tarieven op 31 mei 2024 eigenlijk hoger zou moeten uitvallen, en dat de in rekening gebrachte vergoeding vermoedelijk is berekend met de tarieven van een dag vóór of na 31 mei 2024. [eiseres] heeft echter niet aangegeven met welke tarieven dan wel is gerekend. Daardoor heeft Clean Energie ook in dat opzicht niet inzichtelijk gemaakt hoe zij tot de vergoeding is gekomen.
Voor het berekenen van de resterende waarde voor elektriciteit stelt [eiseres] zogenaamde fracties te hebben gebruikt afkomstig van de MMFBAS (voorheen Nederlandse Energie Data Uitwisseling) en daarnaast rekening te hebben gehouden met het standaardjaarverbruik dat geregistreerd is in het Centraal Aansluitingen Register. [eiseres] heeft geen gegevens overgelegd waaruit deze fracties en het verbruik kunnen worden afgeleid en heeft onvoldoende onderbouwd waarom dit niet mogelijk zou zijn. Daardoor staat niet vast dat de door haar gehanteerde gegevens juist zijn. Bovendien is de wijze waarop [eiseres] de berekening stelt te hebben uitgevoerd niet navolgbaar.
[eiseres] stelt dat zij voor het bepalen van de waarde van de overeenkomst voor gas de contractprijzen heeft omgerekend van €/m3 naar €/MWh. Deze prijzen per MWh die [eiseres] stelt te hebben gebruikt zijn hoger dan de prijzen die [eiseres] heeft gebruikt voor de indicatieve berekening die zij op 12 december 2023 aan [gedaagde 1] heeft verstrekt. [eiseres] heeft geen verklaring gegeven voor dit verschil. Daardoor staat niet vast dat [eiseres] met de juiste contractprijzen heeft gerekend.
[eiseres] heeft voor de overeenkomst voor gas ook gerekend met fracties en rekening gehouden met het standaardjaarverbruik, maar ook hiervan heeft zij geen gegevens overgelegd. Daardoor is niet inzichtelijk hoe deze fracties en het verbruik tot stand zijn gekomen en staat niet vast dat de door [eiseres] gehanteerde gegevens juist zijn. Daarbij is ook deze door [eiseres] gestelde wijze van berekening niet duidelijk.
Het voorgaande brengt met zich dat [eiseres] de hoogte van de opzegvergoeding onvoldoende heeft onderbouwd. De vorderingen van [eiseres] in conventie zullen daarom worden afgewezen.
[eiseres] moet € 8.220,35 terugbetalen aan [gedaagde 1]
[gedaagde 1] heeft een deel van de in rekening gebrachte opzegvergoeding, te weten € 8.220,35, betaald. Uit het oordeel over de vordering van [eiseres] in conventie volgt dat [eiseres] geen recht heeft op de opzegvergoeding. Dat betekent dat [gedaagde 1] het bedrag van € 8.220,35 onverschuldigd heeft betaald en dit kan terugvorderen (artikel 6:203 BW). [eiseres] moet dit bedrag daarom terugbetalen aan [gedaagde 1].
[eiseres] moet rente betalen
[gedaagde 1] hebben wettelijke handelsrente gevorderd over het onverschuldigd betaalde bedrag. Bij een verbintenis uit onverschuldigde betaling kan niet de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW worden gevorderd, maar alleen de gewone wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW. Daarom zal alleen de wettelijke rente worden toegewezen.
[eiseres] hoeft geen incassokosten te betalen
[gedaagde 1] vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] heeft betwist deze kosten verschuldigd te zijn. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [gedaagde 1] hebben niet gesteld en ook niet onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De vordering is daarom niet toewijsbaar.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
[eiseres] is in het ongelijk gesteld in conventie en grotendeels in het ongelijk gesteld in reconventie en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde 1] in conventie en in reconventie worden begroot op:
| - griffierecht | € | 3.083,00 | |
| - salaris advocaat | € | 2.090,00 | (2,5 punt × € 836,00) |
| - nakosten | € | 296,00 | (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 5.469,00 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4 De beslissing
De rechtbank
in conventie
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
in reconventie
veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagde 1] te betalen een bedrag van € 8.220,35, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
in conventie en in reconventie
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten die aan de kant van [gedaagde 1] worden begroot op € 5.469,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
| Dit vonnis is gewezen door mr. I. van Drongelen en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026. 4043/2537 |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.