Algemene wet inzake rijksbelastingen

AWR

Huidige tekst

Artikel 5a AWR

Geldt sinds 6 januari 2014

  1. 1

    Als partner wordt aangemerkt: a.de echtgenoot; b.de ongehuwde meerderjarige persoon waarmee de ongehuwde meerderjarige belastingplichtige een notarieel samenlevingscontract is aangegaan en met wie hij staat ingeschreven op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland.

  2. 2

    Degene die ingevolge het eerste lid voor een deel van het kalenderjaar als partner wordt aangemerkt, wordt ook als partner aangemerkt in de andere perioden van het kalenderjaar, voor zover hij in die perioden op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland.

  3. 3

    Voor de toepassing van het eerste lid wordt een persoon die van tafel en bed is gescheiden, aangemerkt als ongehuwd. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit lid.

  4. 4

    In afwijking van het eerste lid wordt een persoon niet meer als partner aangemerkt ingeval: a.een verzoek, zoals bedoeld in artikel 150, respectievelijk 169 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek tot echtscheiding, respectievelijk tot scheiding van tafel en bed is ingediend, en b.hij niet meer op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland staat ingeschreven als de belastingplichtige.

  5. 5

    Een persoon kan op enig moment slechts één partner hebben. Ingeval een persoon meer dan één echtgenoot heeft, wordt alleen de echtgenoot uit de oudste verbintenis als partner aangemerkt. Bij meer dan één notarieel samenlevingscontract, wordt alleen het oudste samenlevingscontract in aanmerking genomen. Een notarieel samenlevingscontract met meer dan één persoon, wordt niet in aanmerking genomen.

  6. 6

    Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld op basis waarvan iemand die niet in Nederland woont, geacht wordt op zijn woonadres te zijn ingeschreven in een naar aard en strekking met de basisregistratie personen overeenkomende registratie buiten Nederland.

  7. 7

    Personen die partners waren op grond van het eerste lid, onderdeel b, blijven als partners aangemerkt nadat de in dat onderdeel bedoelde inschrijving op hetzelfde woonadres niet langer mogelijk is als gevolg van opname in een verpleeghuis of verzorgingshuis vanwege medische redenen of ouderdom van een van hen, zolang na het einde van die inschrijving op hetzelfde woonadres ten aanzien van geen van beiden een derde persoon als partner wordt aangemerkt. De eerste volzin vindt geen toepassing meer indien één van beiden door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de inspecteur laat weten dat zij niet langer als partners willen worden aangemerkt. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit lid.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:HR:2025:1158Hoge Raad, 18 juli 2025 (belastingrecht)

    Art. 7:8 Wet IB 2001, art. 21bis UBIB 2001; art. 45 VWEU; Schumacker-doctrine; dient Nederland als (voormalige) werkstaat rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van een…

  • ECLI:NL:PHR:2024:1055Parket bij de Hoge Raad, 11 oktober 2024 (belastingrecht)

    Kruislings schenken waardoor tweemaal van de – eenmalig toe te passen – eigenwoningvrijstelling gebruikt kan worden gemaakt. Geobjectiveerde schenkingsbegrip; onderscheid do ut des en do et das.…

  • ECLI:NL:PHR:2024:1056Parket bij de Hoge Raad, 11 oktober 2024 (belastingrecht)

    Kruislings schenken waardoor tweemaal van de – eenmalig toe te passen – eigenwoningvrijstelling gebruikt kan worden gemaakt. Geobjectiveerde schenkingsbegrip; onderscheid do ut des en do et das.…

  • ECLI:NL:PHR:2021:1020Parket bij de Hoge Raad, 29 oktober 2021 (burgerlijk procesrecht)

    Procesrecht; leidt niet tijdige naleving van het betekeningsvereiste zoals bedoeld in art. 816 lid 1 Rv tot niet-ontvankelijkheid?

  • ECLI:NL:RBNNE:2026:3968Rechtbank Noord-Nederland, 17 september 2026 (belastingrecht)

    IB/PVV, uitzendregeling eigen woning na afloop tijdelijke verhuur, ongegrond

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:22394Rechtbank Den Haag, 11 augustus 2026 (socialezekerheidsrecht)

    herberekening en terugvordering huur- en zorgtoeslag 2020 vanwege hoger inkomen toeslagpartner - fictief partnerschap o.g.v. eerdere aangiften en medebewonerschap - geen belang bij oordeel over…

  • ECLI:NL:RBGEL:2026:6005Rechtbank Gelderland, 22 juli 2026 (belastingrecht)

    IB/PVV

  • ECLI:NL:RBNNE:2026:1573Rechtbank Noord-Nederland, 30 april 2026 (belastingrecht)

    Beroep niet tijdig beslissen. Inhoudelijke beslissing van de inspecteur lopende het beroep. Het gaat over verzoeken om ambtshalve verminderingen wegens toepassen inkomensafhankelijke…

207 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.