Burgerlijk Wetboek Boek 4

BW

Huidige tekst

Artikel 4:32 BW

Geldt sinds 1 januari 2003

De echtgenoot kan geen aanspraak maken op vestiging van het vruchtgebruik ingevolge de artikelen 29 en 30, wanneer een procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed van de erflater en de echtgenoot meer dan een jaar voor het openvallen van de nalatenschap was aangevangen en de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed ten gevolge van het overlijden van de erflater niet meer tot stand heeft kunnen komen. De eerste zin blijft buiten toepassing indien de omstandigheid dat de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed niet meer tot stand heeft kunnen komen, niet in overwegende mate de echtgenoot kan worden aangerekend.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2007:BA2507Parket bij de Hoge Raad, 8 juni 2007 (civiel recht)

    Erfrecht. Afgewezen verzoek van onterfde echtgenote van erflater op voet van art. 4:30 BW tot bevel aan testamentair erfgenaam mee te werken aan de vestiging van verzorgingsvruchtgebruik en aan…

  • ECLI:NL:RBOVE:2026:5634Rechtbank Overijssel, 7 september 2026 (civiel recht)

    Dochter moet meewerken aan de vestiging van vruchtgebruik op de woning en inboedel ten behoeve van moeder.

  • ECLI:NL:GHAMS:2011:BV0739Gerechtshof Amsterdam, 20 december 2011 (personen- en familierecht)

    Verzorgingsvruchtgebruik onterfde echtgenote

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.