Wet op de loonbelasting 1964

LB

Huidige tekst

Artikel 39f LB

Geldt sinds 1 januari 2025

  1. 1

    Met betrekking tot op 31 december 2013 bestaande aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37, zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, zoals dat op 31 december 2013 luidde, blijven de artikelen 10, vijfde lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, 11a, 19a, 19b, achtste lid, 32bb, zesde en achtste lid, en 37, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, van toepassing.

  2. 2

    In afwijking in zoverre van het eerste lid mag de waarde van de aanspraak, het tegoed van de stamrechtspaarrekening of de waarde van het stamrechtbeleggingsrecht geheel of gedeeltelijk op een eerder tijdstip worden uitgekeerd dan in de artikelen 11 en 11a, zoals die op 31 december 2013 luidden, en de daarop gebaseerde bepalingen, is bepaald.

  3. 3

    In afwijking in zoverre van het eerste lid kunnen aanspraken als bedoeld in dat lid mede worden uitgevoerd door een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3.126a, tweede lid, onderdelen b en d, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

  4. 4

    Een aanspraak op periodieke uitkeringen als bedoeld in het eerste lid die op de uiterste ingangsdatum, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 1° , of artikel 11a, derde lid, onderdeel a, onder 1°, of onderdeel b, onder 1° , zoals deze artikelen luidden op 31 december 2013, nog niet tot uitkering is gekomen, omdat de omvang van de uitkeringen nog moet worden vastgesteld, wordt geacht te zijn afgekocht op de datum, bedoeld in de tweede zin, onderscheidenlijk derde zin, indien op die datum nog geen vaststelling van de omvang van de uitkeringen heeft plaatsgevonden. Bij in leven zijn van de werknemer of gewezen werknemer is de datum waarop de aanspraak op periodieke uitkeringen ingevolge de eerste zin wordt geacht te zijn afgekocht 31 december van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de uiterste ingangsdatum, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 1°, of artikel 11a, derde lid, onderdeel a, onder 1°, zoals deze artikelen luidden op 31 december 2013, is gelegen. Bij overlijden van de werknemer of gewezen werknemer is de datum waarop de aanspraak op periodieke uitkeringen ingevolge de eerste zin wordt geacht te zijn afgekocht 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de uiterste ingangsdatum, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 1°, of artikel 11a, derde lid, onderdeel b, onder 1°, zoals deze artikelen luidden op 31 december 2013, is gelegen. De data, bedoeld in de tweede en derde zin, kunnen door de inspecteur worden uitgesteld wanneer door bijzondere omstandigheden de omvang van de uitkeringen niet voor die data is vastgesteld.

  5. 5

    Indien artikel 19b, eerste lid, zoals dat luidde op 31 december 2013, van overeenkomstige toepassing is of is geweest op een aanspraak als bedoeld in het eerste lid, waarvan een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d of e, zoals dat luidde op 31 december 2013 als verzekeraar optreedt en de aanspraak in afwijking van artikel 19b, zoals dat luidde op 31 december 2013, bij de bepaling van de verschuldigde belasting niet als loon in aanmerking is genomen, blijft dat artikel van overeenkomstige toepassing op die aanspraak.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2019:1218Parket bij de Hoge Raad, 26 november 2019 (belastingrecht)

    A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 19/01548. Het geschil betreft de heffing van inkomstenbelasting terzake van de afkoop van een vrijgesteld stamrecht in 2014 met toepassing…

  • ECLI:NL:PHR:2018:1450Parket bij de Hoge Raad, 29 november 2018 (belastingrecht)

    A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 17/05027. Belanghebbende heeft naar aanleiding van de uitspraak van de civiele kamer van de rechtbank Oost-Brabant op 13 oktober 2014 een…

  • ECLI:NL:PHR:2017:25Parket bij de Hoge Raad, 18 januari 2017 (belastingrecht)

    [B] is, na jarenlang een dienstbetrekking in de Verenigde Staten te hebben vervuld, in Nederland komen wonen. Vervolgens is aan hem een ontslagvergoeding betaald, welke in 2012 is ondergebracht in de…

  • ECLI:NL:GHSHE:2024:283Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 1 februari 2024 (personen- en familierecht)

    Personen- en familierecht, huwelijksvermogensrecht, verdeling huwelijksgemeenschap.

  • ECLI:NL:GHSHE:2020:422Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 januari 2020 (belastingrecht)

    Belanghebbende bezit alle aandelen in een stamrecht-BV. In 1997 heeft belanghebbende met stamrecht-BV een stamrechtovereenkomst gesloten in verband met een door belanghebbende ontvangen afkoopsom…

  • ECLI:NL:RBNHO:2019:9783Rechtbank Noord-Holland, 27 november 2019 (belastingrecht)

    Eiser heeft zijn ontslagvergoeding aangewend voor de aankoop van een stamrecht dat is ondergebracht in een door hem opgerichte BV. In geschil is op welk bedrag het loon uit vroegere dienstbetrekking…

  • ECLI:NL:GHDHA:2019:1254Gerechtshof Den Haag, 13 februari 2019 (belastingrecht)

    Erflater heeft bij de liquidatie van zijn BV het bij die BV bedongen stamrecht afgekocht. Op dat moment had de stamrechtaanspraak een waarde van € 197.538. Bij de afkoop is met toepassing van artikel…

  • ECLI:NL:GHSHE:2019:250Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 25 januari 2019 (belastingrecht)

    In geschil is de aftrekbaarheid van een bedrag als negatief resultaat uit het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen over het jaar 2015. Naar het oordeel van het Hof bestaat er geen ruimte…

13 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.