Wet op de loonbelasting 1964

LB

Huidige tekst

Artikel 19b LB

Geldt sinds 1 juli 2023

  1. 1

    Ingeval op enig tijdstip: a.een aanspraak ingevolge een pensioenregeling niet langer als zodanig is aan te merken; b.een aanspraak ingevolge een pensioenregeling wordt afgekocht of vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990, wordt; c.de zekerheidstelling wordt beëindigd door de werknemer of de gewezen werknemer die zich op grond van artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, heeft verplicht deze zekerheid te stellen; wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer dan wel, indien deze is overleden, van de gerechtigde tot de aanspraak.

  2. 2

    Ingeval een verplichting ingevolge een pensioenregeling geheel of gedeeltelijk overgaat op een andere verzekeraar wordt de aanspraak ingevolge die regeling geacht te worden afgekocht. De eerste volzin is niet van toepassing ingeval de verplichting ingevolge een pensioenregeling geheel of gedeeltelijk overgaat naar een verzekeraar als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b of d, mits deze overgang niet in strijd komt met de bepalingen bij of krachtens de artikelen 70 tot en met 91 van de Pensioenwet.

  3. 3

    Het eerste lid is niet van toepassing ingeval de werknemer of gewezen werknemer in het kader van scheiding van tafel en bed, echtscheiding of beëindiging van de gezamenlijke huishouding een aanspraak ingevolge een pensioenregeling geheel of gedeeltelijk vervreemdt aan zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot onderscheidenlijk zijn partner of gewezen partner dan wel omzet in een zodanige aanspraak met als gerechtigde die echtgenoot of gewezen echtgenoot onderscheidenlijk zijn partner of gewezen partner, waarbij die verkregen of omgezette aanspraak voor de toepassing van deze wet wordt geacht de voortzetting te zijn van de aanspraak op een pensioenregeling van de werknemer of gewezen werknemer.

  4. 4

    Het eerste lid is niet van toepassing voor zover een in onderdeel b van dat lid bedoelde uitkering of afkoopsom wordt uitgekeerd met toepassing van artikel 66, 67 of 68 van de Pensioenwet.

  5. 5

    Het eerste lid is niet van toepassing bij een vervreemding als bedoeld in artikel 57, vijfde lid, van de Pensioenwet alsmede bij een vermindering als bedoeld in artikel 134, eerste lid, van die wet.

  6. 6

    Ingeval het ouderdomspensioen of het partnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum van de werknemer of de gewezen werknemer later ingaat dan op de uiterste ingangsdatum, bedoeld in artikel 18a, vierde lid, onderdeel b, dan wel vijfde lid, omdat de omvang van de uitkeringen nog moet worden vastgesteld, wordt in afwijking in zoverre van het eerste lid de aanspraak op het ouderdomspensioen of het partnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum geacht te zijn afgekocht op de datum, bedoeld in de tweede zin, onderscheidenlijk derde zin, indien op die datum nog geen vaststelling van de omvang van de uitkeringen heeft plaatsgevonden. De datum waarop de aanspraak op het ouderdomspensioen ingevolge een pensioenregeling ingevolge de eerste zin niet langer als zodanig wordt aangemerkt is 31 december van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de uiterste ingangsdatum, bedoeld in artikel 18a, vierde lid, onderdeel b, is gelegen. De datum waarop de aanspraak op het partnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum ingevolge een pensioenregeling ingevolge de eerste zin niet langer als zodanig wordt aangemerkt is 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de uiterste ingangsdatum, bedoeld in artikel 18a, vijfde lid, is gelegen. De data, bedoeld in de tweede en derde zin, kunnen door de inspecteur worden uitgesteld wanneer door bijzondere omstandigheden de omvang van de uitkeringen niet voor die data is vastgesteld.

  7. 7

    Onze Minister kan, zo nodig onder door hem te stellen voorwaarden, bepalen dat het tweede lid, eerste volzin, niet van toepassing is indien de verplichting ingevolge een pensioenregeling overgaat op een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het verzekeringsbedrijf uitoefent, anders dan bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, zulks ter verwerving van aanspraken ingevolge een pensioenregeling in het kader van de aanvaarding van een dienstbetrekking buiten Nederland. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de overgang van de verplichting ingevolge een pensioenregeling naar een pensioenfonds van een internationale organisatie in het kader van de aanvaarding van een dienstbetrekking bij die organisatie in Nederland.

  8. 8

    Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt een aanspraak op een pensioenregeling mede niet langer als zodanig aangemerkt ingeval op enig tijdstip niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld ingevolge het zevende lid of artikel 19d.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:HR:2023:246Hoge Raad, 17 februari 2023 (belastingrecht)

    Hersteld arrest (zie: ECLI:NL:HR:2023:708) Artikel 6 en artikel 19b, lid 1, Wet LB 1964; inhoudingsplicht (onzuivere) pensioenaanspraken; hoogte pensioenaanspraken.

  • ECLI:NL:PHR:2023:137Parket bij de Hoge Raad, 16 januari 2023 (belastingrecht)

    Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 16 januari 2023 inzake de cassatieberoepen met de rolnummers: 20/02644, ECLI:NL:PHR:2023:70 20/03460, ECLI:NL:PHR:2023:125 22/01773…

  • ECLI:NL:PHR:2022:726Parket bij de Hoge Raad, 28 juli 2022 (belastingrecht)

    Procesbelang bij de vraag of verliezen benut of verdampt zijn als de aanslag en de vaststellingsbeschikking niet wijzigen? Is het omslagstelsel (kasstelsel) voor pensioen in eigen beheer goed…

  • ECLI:NL:PHR:2021:1099Parket bij de Hoge Raad, 23 november 2021 (belastingrecht)

    A-G Niessen heeft een conclusie genomen inzake een geschil over de vraag of voor de toepassing van de loonbelasting (i) een voorwaardelijk recht op (na-)indexatie een aanspraak ingevolge een…

  • ECLI:NL:RBZWB:2026:6358Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 juli 2026 (belastingrecht)

    Aanslag IB/PVV 2022. Nabetaling terecht in de heffing over 2022 betrokken. Ongegrond.

  • ECLI:NL:RBGEL:2026:4486Rechtbank Gelderland, 8 mei 2026 (belastingrecht)

    Inkomstenbelasting. Prijsgeven van pensioen- en stamrechtaanspraken bij turboliquidatie. Waarde van de aanspraken terecht belast in box 1, terecht revisierente in rekening gebracht. Ook is terecht…

  • ECLI:NL:RBZWB:2026:3756Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 mei 2026 (belastingrecht)

    Navorderingsaanslag IB/PVV, nieuw feit, moment afwikkeling aanspraak. Beroep ongegrond.

  • ECLI:NL:RBNHO:2026:1907Rechtbank Noord-Holland, 5 februari 2026 (belastingrecht)

    Inkomstenbelasting. Vereiste aangifte niet gedaan. Winstuitdeling. Pensioenaanspraak ten onrechte als loon uit een vroegere dienstbetrekking in de heffing betrokken.

90 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.