Wet op de loonbelasting 1964

LB

Huidige tekst

Artikel 13a LB

Geldt sinds 1 januari 2024

  1. 1

    Loon wordt beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop het: a. betaald of verrekend wordt, ter beschikking van de werknemer wordt gesteld of rentedragend wordt, dan wel b. vorderbaar en tevens inbaar wordt.

  2. 2

    Indien is overeengekomen dat het loon geheel of gedeeltelijk op een ongebruikelijk tijdstip zal worden genoten, wordt daarmee voor de toepassing van het eerste lid geen rekening gehouden.

  3. 3

    Voor zover ingevolge artikel 12a het loon hoger is dan het werkelijk genoten loon, wordt het meerdere geacht te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of het einde van de dienstbetrekking zo deze in de loop van het kalenderjaar eindigt.

  4. 4

    In afwijking van het eerste lid: a.wordt het bedrag dat als gevolg van de toepassing van artikel 10a, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, of twaalfde lid tot het loon behoort geacht te zijn genoten ten tijde van de uitoefening van het aandelenoptierecht, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel a, onder 1°; b.wordt het bedrag dat als gevolg van de toepassing van artikel 10a, eerste lid, onderdeel a, onder 2° , tot het loon behoort geacht te zijn genoten ten tijde van het verhandelbaar worden van de aandelen, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel a, onder 2°; c.wordt het bedrag dat als gevolg van de toepassing van artikel 10a, elfde lid, tot het loon behoort geacht te zijn genoten ten tijde van de vervreemding van de aandelen, bedoeld in artikel 10a, elfde lid; d.wordt loon dat ingevolge artikel 27bis is begrepen in de laatste aangifte van het kalenderjaar, geacht te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of het einde van de dienstbetrekking zo deze in de loop van het kalenderjaar eindigt; e.worden vergoedingen ter zake van vervoer in het kader van de dienstbetrekking, waaronder woon-werkverkeer, op andere wijze dan per taxi, luchtvaartuig, schip of vervoer vanwege de inhoudingsplichtige, voor zover deze € 0,23 per kilometer te boven gaan en voor zover deze niet hoger zijn dan de werkelijke kosten, geacht te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of bij het einde van de dienstbetrekking zo deze in de loop van het kalenderjaar eindigt, indien in het kalenderjaar ook vergoedingen ter zake van de hiervoor bedoelde wijze van vervoer zijn of naar verwachting zullen worden berekend naar een bedrag van minder dan € 0,23 per kilometer.

  5. 5

    Het vierde lid, onderdeel e, is niet van toepassing op vergoedingen ter zake van vervoer in het kader van de dienstbetrekking, waaronder woon-werkverkeer, per openbaar vervoer indien deze vergoedingen zijn vastgesteld op basis van de werkelijke kosten.

  6. 6

    Voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel e, wordt onder vervoer vanwege de inhoudingsplichtige verstaan: 1°. vanwege de inhoudingsplichtige georganiseerd vervoer; 2°. het reizen per openbaar vervoer op basis van door de inhoudingsplichtige aangeschafte en door hem aan de werknemer verstrekte plaatsbewijzen.

  7. 7

    In afwijking van het eerste lid wordt loon dat door de inhoudingsplichtige overeenkomstig een door hem bestendig gevolgde gedragslijn aan een eerder in het kalenderjaar gelegen tijdvak wordt toegerekend dan het tijdvak waarin het ingevolge het eerste lid wordt genoten, geacht in dat eerdere tijdvak te zijn genoten.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:HR:2026:564Hoge Raad, 24 april 2026 (belastingrecht)

    Loonbelasting; IB/PVV; art. 10, 11 en 13a Wet LB 1964; art. 3.146 Wet IB 2001; rijnvarende; op het brutoloon zijn Liechtensteinse socialezekerheidspremies ingehouden, terwijl de…

  • ECLI:NL:PHR:2025:1405Parket bij de Hoge Raad, 5 december 2025 (belastingrecht)

    Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 5 december 2025 in de zaken met: 24/04535, 24/04536, 24/04537, 24/04538, 24/04539 en 24/04540 ECLI:NL:PHR:2025:1324 , 25/00616 ECLI:NL:PHR:2025:1325…

  • ECLI:NL:PHR:2025:946Parket bij de Hoge Raad, 9 september 2025 (strafrecht)

    Conclusie AG. Feitelijk leiding geven aan door vier uitzendbureaus doen van onjuiste en/of onvolledige aangiftes loonbelasting. Jaddoe-geval (feiten 1 en 2). De middelen over de vraag of sprake is…

  • ECLI:NL:PHR:2024:1422Parket bij de Hoge Raad, 20 december 2024 (belastingrecht)

    Art. 10, 31, 31a, 32bb Wet LB. In hoeverre werkt de verruiming van het Wet LB-loonbegrip als gevolg van de invoering van de werkkostenregeling door naar het loonbegrip dat wordt gehanteerd in het…

  • ECLI:NL:GHSHE:2026:595Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 4 maart 2026 (belastingrecht)

    In geschil is of het toetsingsinkomen voor de zorgtoeslag te hoog is vastgesteld. Het hof oordeelt dat toetsingsinkomen in dit geval gelijk is aan het belastbare loon, dus inclusief nabetalingen van…

  • ECLI:NL:GHDHA:2026:134Gerechtshof Den Haag, 21 januari 2026 (belastingrecht)

    Navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019. Art. 10 en 13a Wet LB 1964; art. 3.146 Wet IB 2001. Stamrechtuitkeringen en managementvergoedingen van holdingvennootschap. Stamrechtuitkeringen niet in…

  • ECLI:NL:GHARL:2026:118Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 januari 2026 (belastingrecht)

    IB/PVV. Inkomen uit aanmerkelijk belang. Vervreemdingsvoordeel.

  • ECLI:NL:GHARL:2026:119Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 januari 2026 (belastingrecht)

    IB/PVV. Inkomen uit aanmerkelijk belang. Vervreemdingsvoordeel.

129 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.