Vreemdelingenbesluit 2000

VB

Huidige tekst

Artikel 3.23 VB

Geldt sinds 1 januari 2026

  1. 1

    De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend aan de in Nederland geboren vreemdeling, die het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst en die naar het oordeel van Onze Minister feitelijk is blijven behoren tot het in Nederland gevestigde gezin van de ouder, die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet, en die sedert de geboorte van de vreemdeling het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst.

  2. 2

    Indien de aanvraag is ontvangen voordat de vreemdeling de leeftijd van zes maanden heeft bereikt, wordt de verblijfsvergunning eveneens verleend aan de buiten Nederland geboren vreemdeling, die naar het oordeel van Onze Minister feitelijk is blijven behoren tot het gezin van beide ouders, die sedert de geboorte van de vreemdeling rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet, hebben en het hoofdverblijf niet buiten Nederland hebben verplaatst.

  3. 3

    Indien de vader van de in het tweede lid bedoelde vreemdeling onbekend is, wordt de verblijfsvergunning verleend, indien de moeder sedert de geboorte van de vreemdeling rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet heeft en het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst.

  4. 4

    De verblijfsvergunning wordt verleend, indien: a.de vreemdeling beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de vreemdeling in Nederland wil verblijven, of behoort tot één van de in artikel 17 van de Wet of in artikel 3.71, tweede lid, bedoelde categorieën; b.de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, of naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld; c.de vreemdeling bereid is een onderzoek naar of behandeling voor tuberculose te ondergaan en daaraan mee te werken, of de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen; d.de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde als bedoeld in de artikelen 3.77 en 3.78 of voor de nationale veiligheid; e.de hoofdpersoon ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling een verklaring heeft afgelegd als bedoeld in artikel 2a, tweede lid, van de Wet.

  5. 5

    In afwijking van het vierde lid, aanhef en onder e, wordt de verblijfsvergunning eveneens verleend, indien: a.wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in hoofdstuk IV en artikel 16 van Richtlijn nr. 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging, in welk geval Onze Minister de hoofdpersoon als referent aanwijst; b.de hoofdpersoon bij wie de vreemdeling als gezinslid wil verblijven een Turkse werknemer is als bedoeld in artikelen 6 en 13 van Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie, in welk geval deze hoofdpersoon niet als referent wordt aangewezen.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:RBDHA:2019:14207Rechtbank Den Haag, 24 december 2019 (vreemdelingenrecht)

    Eiseres beoogt verblijf bij haar biologische vader. Ontvankelijkheid. Vereisten van artikel 3.23, 3.13, eerste lid, en 3.13, tweede lid, van het Vb. Artikel 8 EVRM, onvoldoende gemotiveerd. Gegrond

  • ECLI:NL:RVS:2014:1815Raad van State, 12 mei 2014 (vreemdelingenrecht)

    Bij besluit van 30 mei 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

  • ECLI:NL:RVS:2013:706Raad van State, 8 augustus 2013 (vreemdelingenrecht)

    Bij besluit van 16 juni 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

  • ECLI:NL:RBDHA:2013:8256Rechtbank Den Haag, 10 juli 2013 (vreemdelingenrecht)

    De rechtbank kan in de reactie van verweerder niet anders lezen dan een weigering om terug te komen van het bestreden besluit van 9 december 2010. Deze weigering wordt ingevolge de artikelen 6:18 en…

  • ECLI:NL:RBSGR:2011:BV0937Rechtbank 's-Gravenhage, 27 december 2011 (vreemdelingenrecht)

    Paspoortvereiste. In Nederland geboren kind. Vader vrijgesteld van het paspoortvereiste, moeder niet. In aanmerking genomen dat de moeder niet is vrijgesteld van het paspoortvereiste, dat de moeder…

  • ECLI:NL:RBSGR:2010:BX1576Rechtbank 's-Gravenhage, 24 september 2010 (vreemdelingenrecht)

    Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2007/11 (WBV 2007/11/Pardonregeling). Aan moeder is, met vrijstelling van het paspoortvereiste, een verblijfsvergunning op grond van de Pardonregeling…

  • ECLI:NL:RBSGR:2005:AT5474Rechtbank 's-Gravenhage, 4 mei 2005 (vreemdelingenrecht)

    '14-1-brief' / verblijf bij ouders. De vraag is aan de orde gesteld wat de gevolgen dienen te zijn van verweerders mededeling dat de '14-1-brief' van 22 januari 2003 wordt betrokken bij de verdere…

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.