Uitleveringswet

UW

Huidige tekst

Artikel 31 UW

Geldt sinds 1 januari 2023

  1. 1

    Tegen de uitspraak van de rechtbank betreffende het verzoek tot uitlevering kan zowel door de officier van justitie als door de opgeëiste persoon beroep in cassatie worden ingesteld.

  2. 2

    Van verklaringen waarbij afstand wordt gedaan van het recht om beroep in cassatie in te stellen, of waarbij een zodanig beroep wordt ingetrokken, geeft de griffier van de rechtbank onverwijld kennis aan Onze Minister.

  3. 3

    De officier van justitie is, op straffe van niet-ontvankelijkheid, verplicht om binnen een maand nadat hij beroep in cassatie heeft ingesteld, bij de Hoge Raad een schriftuur in te dienen, houdende zijn middelen van cassatie.

  4. 4

    De opgeëiste persoon die cassatieberoep heeft ingesteld, is op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht om vóór de dienende dag bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur te doen indienen, houdende zijn middelen van cassatie.

  5. 5

    De voorzitter bepaalt na overleg met de procureur-generaal de rechtsdag. De procureur-generaal doet de dag voor de behandeling van het beroep bepaald ten minste acht dagen vóór de rechtsdag aanzeggen aan de opgeëiste persoon. Deze termijn kan, met toestemming van de opgeëiste persoon, worden bekort indien van die toestemming blijkt op overeenkomstige wijze als bepaald in artikel 265, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Bij gebreke van tijdige aanzegging wordt door de Hoge Raad de aanzegging van een nieuwe rechtsdag bevolen, tenzij voor de opgeëiste persoon een raadsman is verschenen. In dat laatste geval kan op diens verzoek uitstel worden verleend.

  6. 6

    In de gevallen waarin op de zitting de behandeling van het beroep voor een bepaalde tijd wordt uitgesteld of geschorst, heeft geen nieuwe aanzegging aan de opgeëiste persoon plaats.

  7. 7

    De artikelen 431, 432, 432a, 434, eerste lid, 438, 439, 440, eerste lid, 442, 443, 444, 449, eerste lid, 450, 451, 451a, 452, 453, 454, eerste, tweede en derde lid, 455, eerste lid, en 456 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

  8. 8

    Indien de uitspraak van de rechtbank geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd doet de Hoge Raad wat de rechtbank had behoren te doen. Tenzij de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen zonder in een nieuw onderzoek naar de feiten te treden, gelast hij tegen een door hem te bepalen tijdstip de oproeping van de opgeëiste persoon, zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging.

  9. 9

    De Hoge Raad zendt aan Onze Minister onverwijld een gewaarmerkt afschrift van zijn arrest toe.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2026:657Parket bij de Hoge Raad, 30 juni 2026 (strafrecht)

    Conclusie AG. OM-cassatie en cassatie opgeëiste persoon. Uitlevering aan Montenegro ter strafvervolging van deelname aan een criminele organisatie en twee drugsfeiten. Middel OM ziet op beslissing…

  • ECLI:NL:PHR:2026:183Parket bij de Hoge Raad, 31 maart 2026 (strafrecht)

    Conclusie AG. OM-cassatie. Vervolgingsuitlevering naar Oekraïne. Slagend middel over miskenning door rechtbank van bevoegdheidsverdeling tussen rechter en minister t.a.v. dreigende inbreuk op art. 2…

  • ECLI:NL:PHR:2026:145Parket bij de Hoge Raad, 3 februari 2026 (strafrecht)

    Conclusie AG. Vervolgingsuitlevering aan VS. Twee middelen opgeëiste persoon en één middel OM. Middelen opgeëiste persoon gaan over (1) mogelijkheid dat in strafzaak doodstraf zal worden opgelegd en…

  • ECLI:NL:PHR:2025:92Parket bij de Hoge Raad, 24 januari 2025 (civiel recht)

    Overheidsprivaatrecht. Uitleveringsrecht. Kort geding tegen uitlevering aan Rwanda voor vervolging wegens genocide op grond van Genocideverdrag en Wet overlevering inzake oorlogsmisdrijven.…

  • ECLI:NL:RBAMS:2026:9327Rechtbank Amsterdam, 17 september 2026 (europees strafrecht)

    Uitleveringszaak Servië. Veroordeling bij verstek: artikel 3 van het Tweede Aanvullend Protocol bij het EUV en artikel 5, derde lid, UW staan niet aan uitlevering in de weg. Uitlevering toelaatbaar.

  • ECLI:NL:RBAMS:2026:9099Rechtbank Amsterdam, 10 september 2026 (internationaal strafrecht)

    Uitleveringsverzoek uit Turkije. Uitlevering deels toelaatbaar verklaard en deels ontoelaatbaar verklaard wegens verjaring.

  • ECLI:NL:RBZWB:2026:8723Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 8 september 2026 (strafrecht)

    uitlevering van de opgeëiste persoon aan de autoriteiten van Turkije

  • ECLI:NL:RBAMS:2026:7662Rechtbank Amsterdam, 22 juli 2026 (internationaal strafrecht)

    Uitlevering Turkije. Dreigende flagrante schending van artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Advies aan de Minister. De…

115 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.