Uitleveringswet

UW

Huidige tekst

Artikel 26 UW

Geldt sinds 1 maart 2017

  1. 1

    De rechtbank onderzoekt de identiteit van de opgeëiste persoon op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, alsmede de ontvankelijkheid van het verzoek tot uitlevering en de mogelijkheid van inwilliging daarvan. De rechtbank is tevens bevoegd de identiteit van de opgeëiste persoon vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, tweede lid, van dat wetboek, indien over zijn identiteit twijfel bestaat. Artikel 29c, tweede lid, van dat wetboek is van overeenkomstige toepassing.

  2. 2

    De officier van justitie geeft ter zitting van de rechtbank zijn opvatting over de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering en legt een schriftelijke samenvatting daaromtrent aan de rechtbank over. De opgeëiste persoon en diens raadsman worden eveneens in de gelegenheid gesteld tot het maken van terzake dienende opmerkingen omtrent het verzoek tot uitlevering en de in verband daarmede te nemen beslissingen.

  3. 3

    Beweert de opgeëiste persoon dat hij onverwijld kan aantonen niet schuldig te zijn aan de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd, dan onderzoekt de rechtbank die bewering.

  4. 4

    Indien de rechtbank zulks met het oog op het door haar krachtens het eerste of derde lid van dit artikel in te stellen onderzoek noodzakelijk acht, gelast zij - zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging - tegen een door haar te bepalen tijdstip de dagvaarding of schriftelijke oproeping van getuigen of deskundigen.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:HR:2024:1343Hoge Raad, 1 oktober 2024 (strafrecht)

    Tussenarrest HR. Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Turkse nationaliteit) naar Turkije t.z.v. Opiumwetdelicten. Ontbrekend p-v van zitting. Inwinnen van inlichtingen o.g.v. art. 83 RO. P-v van…

  • ECLI:NL:PHR:2024:822Parket bij de Hoge Raad, 27 augustus 2024 (strafrecht)

    Conclusie AG. Uitlevering aan Bosnië Herzegovina ter vervolging. Vier cassatiemiddelen. De eerste twee middelen zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de uitlevering toelaatbaar kan…

  • ECLI:NL:PHR:2023:472Parket bij de Hoge Raad, 9 mei 2023 (strafrecht)

    Conclusie AG. Vervolgingsuitlevering aan de VS. Klachten o.a. over vermelding van de feiten waarvoor de uitlevering is toegestaan (art. 28.3 Uw) en de dubbele strafbaarheid. Valt het feit, naar…

  • ECLI:NL:PHR:2022:889Parket bij de Hoge Raad, 4 oktober 2022 (strafrecht)

    Conclusie AG. Beklag tegen inbeslagneming. De AG wijdt algemene opmerkingen aan de hantering van het ‘hoogst-onwaarschijnlijk’-criterium, ook in verband met de rechtspraak van het EHRM en aan de…

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:29200Rechtbank Den Haag, 2 oktober 2026 (strafrecht)

    Uitlevering ontoelaatbaar verklaard, geen dubbele strafbaarheid, Turkije.

  • ECLI:NL:RBOVE:2026:5481Rechtbank Overijssel, 10 september 2026 (strafrecht)

    De rechtbank verklaart toelaatbaar de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de autoriteiten van Turkije.

  • ECLI:NL:RBZWB:2026:8723Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 8 september 2026 (strafrecht)

    uitlevering van de opgeëiste persoon aan de autoriteiten van Turkije

  • ECLI:NL:RBAMS:2026:7662Rechtbank Amsterdam, 22 juli 2026 (internationaal strafrecht)

    Uitlevering Turkije. Dreigende flagrante schending van artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Advies aan de Minister. De…

143 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.