Uitleveringswet

UW

Huidige tekst

Artikel 39 UW

Geldt sinds 1 januari 2002

  1. 1

    Na gehele of gedeeltelijke inwilliging van het verzoek tot uitlevering wordt de opgeëiste persoon zo spoedig mogelijk ter beschikking van de autoriteiten van de verzoekende staat gesteld, zulks op een door Onze Minister, na overleg met die autoriteiten, te bepalen tijd en plaats.

  2. 2

    De beslissing omtrent de tijd en de plaats van de uitlevering kan worden aangehouden, indien en zolang tegen de opgeëiste persoon een strafrechtelijke vervolging in Nederland gaande is, of een door een Nederlandse rechter tegen hem gewezen strafvonnis nog geheel of ten dele voor tenuitvoerlegging vatbaar is.

  3. 3

    In gevallen als voorzien in het vorige lid kan Onze Minister, zo hij daarvoor termen aanwezig acht, bepalen dat de opgeëiste persoon, ten behoeve van diens berechting op het grondgebied van de verzoekende staat, reeds aanstonds voorlopig ter beschikking van de autoriteiten van die staat zal worden gesteld.

  4. 4

    Ondergaat de opgeëiste persoon, te wiens aanzien het vorige lid wordt toegepast, een vrijheidsstraf, dan komt de tijd gedurende welke hij ter beschikking van de autoriteiten van de verzoekende staat is, in mindering op zijn straftijd.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2024:825Parket bij de Hoge Raad, 27 augustus 2024 (strafrecht)

    Vordering tot cassatie in het belang der wet. Uitleg art. 56 Uitleveringswet. Geen beroepsmogelijkheid opgeëiste persoon bij gerechtshof na afwijzende beslissing van rb. op verzoek tot schorsing van…

  • ECLI:NL:PHR:2010:BL6287Parket bij de Hoge Raad, 4 juni 2010 (civiel recht)

    Executie Nederlandse gevangenisstraf voormalig RAF-lid. Verjaring. Tijdelijke uitlevering van in Nederland bij onherroepelijk strafvonnis veroordeelde aan ander land met het oog vervolging aldaar…

  • ECLI:NL:PHR:2008:BC6273Parket bij de Hoge Raad, 8 juli 2008 (strafrecht)

    Levenslange gevangenisstraf. Cumulatie. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat in een geval als i.c., waarin de verdachte voor een eerder gepleegd feit is veroordeeld tot een levenslange…

  • ECLI:NL:HR:2000:AA5440Hoge Raad, 11 april 2000 (strafrecht)

    -

  • ECLI:NL:GHARL:2025:1948Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 maart 2025 (strafprocesrecht)

    Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel. Wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 7.493.472,08, verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen…

  • ECLI:NL:GHARL:2025:1975Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 maart 2025 (strafprocesrecht)

    Aanwezigheidsrecht en detentie buitenland. Veroordeling voor het meermalen opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote…

  • ECLI:NL:GHARL:2025:1976Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 maart 2025 (strafprocesrecht)

    Gelet op de omstandigheden van de zaak, oordeelt het hof dat (verdere) vervolging van verdachte louter een formeel karakter zou hebben en niet langer aansluit bij de maatschappelijke realiteit. Het…

  • ECLI:NL:RBAMS:2024:6520Rechtbank Amsterdam, 25 oktober 2024 (internationaal strafrecht)

    Raadkamerbeslissing na toestaan van de overlevering. De vordering van de officier van justitie tot aanhouding van de beslissing omtrent de tijd en plaats van de feitelijke overlevering wordt…

17 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.