Uitleveringswet

UW

Huidige tekst

Artikel 40 UW

Geldt sinds 1 januari 2002

  1. 1

    Indien zulks voor de toepassing van artikel 39, eerste of derde lid, noodzakelijk is, wordt de opgeëiste persoon op bevel van de daartoe door Onze Minister aangeschreven officier van justitie aangehouden voor ten hoogste drie dagen. Indien de uitlevering niet binnen de termijn van drie dagen heeft kunnen plaatsvinden, kan het bevel tot aanhouding door de officier van justitie eenmaal voor ten hoogste drie dagen worden verlengd.

  2. 2

    Na verlenging van de in het eerste lid bedoelde termijn door de officier van justitie, kan deze uitsluitend op vordering van de officier van justitie door de rechtbank worden verlengd. Artikel 38, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

  3. 3

    Een verlenging als bedoeld in het tweede lid kan alleen geschieden wanneer de uitlevering door bijzondere omstandigheden niet binnen de termijn van 6 dagen heeft kunnen plaatshebben.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2024:825Parket bij de Hoge Raad, 27 augustus 2024 (strafrecht)

    Vordering tot cassatie in het belang der wet. Uitleg art. 56 Uitleveringswet. Geen beroepsmogelijkheid opgeëiste persoon bij gerechtshof na afwijzende beslissing van rb. op verzoek tot schorsing van…

  • ECLI:NL:RBAMS:2018:5117Rechtbank Amsterdam, 29 mei 2018 (internationaal publiekrecht)

    Bevel verlenging aanhouding op grond van artikel 37 OLW.

  • ECLI:NL:RBAMS:2010:BM0982Rechtbank Amsterdam, 26 februari 2010 (strafrecht)

    EAB. Verlenging aanhouding ogv artikel 37 OLW. Gelet op artikel 40 Uitleveringswet, aan welke bepaling artikel 37 OLW is ontleend, is het de bedoeling van de wetgever geweest de officier van justitie…

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.