Uitleveringswet

UW

Huidige tekst

Artikel 20 UW

Geldt sinds 1 januari 2013

  1. 1

    Tenzij Onze Minister reeds aanstonds van oordeel is dat het verzoek tot uitlevering moet worden afgewezen, stelt hij het verzoek met de daarbij behorende stukken - voor zover nodig na gelegenheid te hebben geboden tot aanvulling of verbetering overeenkomstig artikel 19 - in handen van de officier van justitie bij de rechtbank van het arrondissement waarin de opgeëiste persoon zich bevindt. Bevindt de opgeëiste persoon zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, dan stelt hij de stukken in handen van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam.

  2. 2

    Wanneer een verzoek tot voorlopige aanhouding is voorafgegaan, worden de stukken toegezonden aan de officier van justitie die in verband met dat verzoek reeds bij de zaak betrokken is geweest. Indien dit verzoek een zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindende voortvluchtige betreft, is het eerste lid, tweede volzin, van overeenkomstige toepassing.

  3. 3

    Indien tegen de opgeëiste persoon in het Europese deel van Nederland een strafvervolging gaande is, in verband waarmede hij voorlopig van zijn vrijheid is beroofd, of indien die persoon een in het Europese deel van Nederland opgelegde vrijheidsstraf ondergaat, kunnen, in afwijking van het voorgaande, de stukken worden toegezonden aan de officier van justitie die met de vervolging is belast of belast is geweest.

  4. 4

    Is voorshands niet bekend in welk arrondissement de opgeëiste persoon zich bevindt, staat de opgeëiste persoon gesignaleerd wegens een tegen hem afgegeven Europees aanhoudingsbevel of is zodanig bevel reeds ontvangen, dan zendt Onze Minister de stukken toe aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2022:636Parket bij de Hoge Raad, 28 juni 2022 (strafrecht)

    Conclusie AG. Vervolgingsuitlevering aan de Bermuda Eilanden. Middel over de toepassing van het Uitleveringsverdrag NL-VK 1898 op Bermuda als "kolonie" of "overzeesche bezitting" van het VK. Middel…

  • ECLI:NL:PHR:2018:1364Parket bij de Hoge Raad, 11 december 2018 (strafrecht)

    Uitlevering ter strafvervolging aan Marokko. 1. Vaststellen identiteit o.p. ex art. 26 lid 1 Uitleveringswet. 2. Juridische grondslag voor uitlevering. Ad 1. De Rb. was niet gehouden opnieuw de…

  • ECLI:NL:HR:2002:AE3561Hoge Raad, 24 december 2002 (strafrecht)

    -

  • ECLI:NL:HR:2002:AE3563Hoge Raad, 24 december 2002 (strafrecht)

    -

  • ECLI:NL:RBNHO:2026:5262Rechtbank Noord-Holland, 23 april 2026 (internationaal publiekrecht)

    Uitleveringsverzoek Oekraïne. Namens de opgeëiste persoon is een beroep gedaan op een dreigende schending van artikel 2 (recht op leven) en artikel 3 (verbod van foltering) van het EVRM. Overweging…

  • ECLI:NL:RBROE:2012:BX6315Rechtbank Roermond, 23 augustus 2012 (strafrecht)

    Uitlevering aan Marokko ontoelaatbaar in verband met ongenoegzaamheid van stukken

  • ECLI:NL:RBROE:2010:BO6412Rechtbank Roermond, 8 december 2010 (strafrecht)

    uitlevering aan de VS ivm o.a. samenzwering om 1000 kilo of meer aan marihuana te verspreiden

  • ECLI:NL:RBROE:2010:BL9029Rechtbank Roermond, 26 maart 2010 (strafrecht)

    Rechtbank acht uitleveringsverzoek Turkije ontoelaatbaar op grond van het ne bis in idem-beginsel en voltooide schending van het bepaalde in art. 3 EVRM en art. 3 VN-Folteringsverdrag

20 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.