Invorderingswet 1990

IW

Huidige tekst

Artikel 26 IW

Geldt sinds 1 januari 2026

  1. 1

    Bij ministeriële regeling worden regels gesteld krachtens welke aan de belastingschuldige die niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar een belastingaanslag geheel of gedeeltelijk te betalen, gehele of gedeeltelijke kwijtschelding kan worden verleend.

  2. 2

    Bij ministeriële regeling worden regels gesteld krachtens welke aan de belastingschuldige ter zake van belasting waarvoor op de voet van artikel 25, vijfde lid, uitstel van betaling is verleend, kwijtschelding van belasting kan worden verleend indien dit uitstel eindigt doordat de termijn, bedoeld in artikel 25, vijfde lid, tweede volzin, is verstreken. Kwijtschelding van belasting kan worden verleend tot een bedrag gelijk aan het nog openstaande bedrag nadat de termijn, bedoeld in artikel 25, vijfde lid, tweede volzin, is verstreken.

  3. 3

    Indien de ontvanger het op de voet van artikel 25, vijfde lid, verleende uitstel van betaling beëindigt omdat zich met betrekking tot een aanspraak uit een overeenkomst van levensverzekering of een aanspraak ingevolge een pensioenregeling een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, vierde volzin, kan krachtens bij ministeriële regeling te stellen regels aan de belastingschuldige kwijtschelding van belasting worden verleend voor zover: a.die belasting hoger is dan de belasting die zou zijn geheven ter zake van de hiervoor bedoelde omstandigheid indien de belastingschuldige op het moment waarop die omstandigheid zich voordeed in Nederland zou hebben gewoond; b.de omstandigheid die ingevolge artikel 25, vijfde lid, vierde volzin, tot beëindiging van het uitstel van betaling heeft geleid, ingevolge een regeling ter voorkoming van dubbele belasting niet belastbaar is in Nederland. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing voorzover de waarde in het economische verkeer van de in die volzin bedoelde aanspraak is gedaald in vergelijking met het ingevolge artikel 3.136, tweede, derde of vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 ter zake van die aanspraak als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen bedrag.

  4. 4

    Bij ministeriële regeling worden regels gesteld krachtens welke aan de belastingschuldige ter zake van belasting waarvoor op de voet van artikel 25, achtste lid, uitstel van betaling is verleend, kwijtschelding van belasting kan worden verleend tot een bedrag gelijk aan de in Nederland verschuldigde dividendbelasting op de aandelen of winstbewijzen die aan het uitstel ten grondslag liggen of, indien dit meer bedraagt, aan de in Nederland verschuldigde inkomstenbelasting wegens reguliere voordelen in de zin van hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 met betrekking tot de aandelen of winstbewijzen waarop het uitstel betrekking heeft.

  5. 5

    Voorzover de ontvanger het op de voet van artikel 25, achtste lid, verleende uitstel van betaling beëindigt omdat aandelen of winstbewijzen worden vervreemd in de zin van artikel 25, achtste lid, onderdeel a, kan krachtens bij ministeriële regeling te stellen regels kwijtschelding worden verleend: a.indien de waarde in het economische verkeer van die aandelen of winstbewijzen is gedaald, anders dan door uitkering van winstreserves, teruggaaf van wat is gestort of ingelegd of overgang van rechten op andere aandelen of winstbewijzen, in vergelijking tot die waarde ten tijde van het belastbare feit ter zake waarvan de belastingaanslag is vastgesteld – tot een bedrag gelijk aan die waardedaling, vermenigvuldigd met: 1°. het in de vierde kolom van de in artikel 2.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001 opgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag van de hiervoor bedoelde waardedaling niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en 2°. het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag van die waardedaling hoger is dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; b.indien het heffingsrecht wegens vervreemding van die aandelen of winstbewijzen ingevolge de Belastingregeling voor het Koninkrijk, de Belastingregeling voor het land Nederland of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting aan een ander land van het Koninkrijk, aan een ander heffingsgebied binnen het Rijk, respectievelijk aan een andere mogendheid is toegewezen – tot een bedrag gelijk aan de aldaar ter zake van die vervreemding feitelijk geheven belasting; c.voor zover de belasting waarvoor op de voet van artikel 25, achtste lid, uitstel van betaling is verleend, hoger is dan de belasting die zou zijn geheven indien de aandeelhouder of houder van winstbewijzen op het moment van die vervreemding in Nederland zou hebben gewoond. Het in de eerste volzin bedoelde bedrag aan kwijtschelding bedraagt niet meer dan het bedrag van de belasting waarvoor ter zake van de aandelen of winstbewijzen nog uitstel van betaling is verleend.

  6. 6

    Vervallen.

  7. 7

    Voor de toepassing van dit artikel zijn de artikelen 4.3 tot en met 4.5b van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 2, derde lid, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.

  8. 8

    Voor de toepassing van het tweede lid worden de belastingrente en de revisierente gelijkgesteld met de inkomstenbelasting waarmee deze samenhangen. Voor de toepassing van dit artikel wordt de belastingrente voorzover deze samenhangt met de inkomstenbelasting waarvoor op de voet van dit artikel kwijtschelding wordt verleend, gelijkgesteld met die belasting.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2025:1016Parket bij de Hoge Raad, 19 september 2025 (belastingrecht)

    Art. 4.16(1)(h) Wet IB 2001. Art. 13(4) en (5) Verdrag Nederland-België 2001. Kan Nederland - gelet op het aanmerkelijkbelangvoorbehoud - het heffingsrecht effectueren over de conserverende aanslag…

  • ECLI:NL:PHR:2018:467Parket bij de Hoge Raad, 26 april 2018 (belastingrecht)

    A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 17/04329. In cassatie is in geschil of artikel 13, paragraaf 5 van het belastingverdrag tussen België en Nederland uit 2001 kan worden…

  • ECLI:NL:HR:2018:511Hoge Raad, 6 april 2018 (belastingrecht)

    Art. 1 Eerste Protocol EVRM; heffing inzake rendement over vermogen dat één maand na de peildatum (nagenoeg) geheel verloren ging (onteigende aandelen SNS). Individuele buitensporige last?…

  • ECLI:NL:PHR:2017:1397Parket bij de Hoge Raad, 15 december 2017 (belastingrecht)

    Belanghebbende bezat op 1 januari 2013 een effectenportefeuille, geheel bestaande uit beursgenoteerde aandelen [A] N.V, ter waarde van € 275.434. Zijn totale vermogen bedroeg op 1 januari 2013 €…

  • ECLI:NL:RBOBR:2026:6840Rechtbank Oost-Brabant, 24 september 2026 (bestuursprocesrecht)

    8:54 Awb. Verzoek kwijtschelding. Beroep tegen beslissing op administratief beroep. Rechtbank onbevoegd.

  • ECLI:NL:RBZWB:2026:4832Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 1 juni 2026 (belastingrecht)

    IB. Verzoek kwijtschelding conserverende aanslag.

  • ECLI:NL:RBNNE:2026:1208Rechtbank Noord-Nederland, 16 april 2026 (belastingrecht)

    SW, BOR, 35d-1c, (directe) bezitsvereiste in relatie tot procentuele toename belang schenker na aandeleninkoop

  • ECLI:NL:RBZWB:2025:8562Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 5 december 2025 (belastingrecht)

    8:54; Onbevoegd

100 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.