Invorderingswet 1990

IW

Huidige tekst

Artikel 40 IW

Geldt sinds 1 januari 2016

  1. 1

    De natuurlijke persoon die, al dan niet tezamen met zijn partner en zijn bloedverwanten in de rechte lijn, of het lichaam dat, al dan niet tezamen met een of meer verbonden lichamen als bedoeld in artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, direct of indirect, voor ten minste één derde gedeelte van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld en waarvan de bezittingen in belangrijke mate bestaan uit beleggingen, daaronder begrepen liquide middelen, en die aandelen of een gedeelte daarvan vervreemdt, is aansprakelijk voor een gedeelte van de vennootschapsbelasting die de desbetreffende vennootschap is verschuldigd aan het einde van het jaar waarin de vervreemding plaatsvindt en de vennootschapsbelasting die verschuldigd wordt over de drie jaren daarna in verband met de op het tijdstip van de vervreemding aanwezige stille en in het kader van de heffing van de vennootschapsbelasting toegelaten fiscale reserves indien het vermogen van de vennootschap anders dan ten gevolge van de normale bedrijfsvoering van de vennootschap is verminderd in de vijf jaren voorafgaande aan het jaar van de vervreemding, in het jaar van de vervreemding, dan wel in de drie jaren daarna.

  2. 2

    Degene die op grond van het eerste lid aansprakelijk is, is niet aansprakelijk voorzover zekerheid is gesteld voor het in het eerste lid bedoelde gedeelte van de vennootschapsbelasting.

  3. 3

    Het in het eerste lid bedoelde gedeelte van de vennootschapsbelasting waarvoor de aansprakelijkheid geldt, wordt bepaald naar het gedeelte van het vermogen van de vennootschap waarop krachtens de vervreemde aandelen aanspraak zou kunnen worden gemaakt ingeval op het tijdstip van de vervreemding de vennootschap zou worden ontbonden.

  4. 4

    Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de vervreemder van een belang of een gedeelte daarvan in een lichaam dat een niet in aandelen verdeeld kapitaal heeft. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder belang verstaan een gerechtigdheid, direct of indirect, tot ten minste een derde gedeelte van het vermogen of van het resultaat van het lichaam.

  5. 5

    Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de aandeelhouder of belanghouder in een lichaam ingeval dat lichaam een deelneming in de zin van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 geheel of voor een gedeelte vervreemdt en de aandeelhouder of belanghouder voldoet aan het kwantitatieve criterium van het eerste lid onderscheidenlijk vierde lid, tweede volzin.

  6. 6

    Een persoon of lichaam is, in afwijking van het eerste lid, niet aansprakelijk voor de vennootschapsbelasting die is of wordt verschuldigd in verband met een op het tijdstip van de vervreemding van de aandelen bij de vennootschap aanwezige egalisatiereserve als bedoeld in artikel 3.53, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de op dat tijdstip bij de vennootschap aanwezige stille reserves, voor zover: a.deze reserves betrekking hebben op roerende zaken, onroerende zaken of vermogensrechten; b.de zaken en rechten waarop de reserves betrekking hebben ten minste gedurende zes maanden na de vervreemding van de aandelen in bezit zijn van de vennootschap; en c.de persoon of het lichaam bewijst dat het niet aan hem is te wijten dat het vermogen van de vennootschap ontoereikend is voor het voldoen van de vennootschapsbelasting.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2025:435Parket bij de Hoge Raad, 11 april 2025 (belastingrecht)

    Bestuurdersaansprakelijkheid; art 36 IW; (gewezen) bestuurder; is bestuurdersaansprakelijkheid mogelijk als dezelfde bestuurder zich heeft kunnen disculperen als gewezen bestuurder voor een ander…

  • ECLI:NL:HR:2020:1447Hoge Raad, 18 september 2020 (belastingrecht)

    Invorderingswet; artt. 9, 40 en 49 IW 1990; aansprakelijkstelling ex art. 40 (lid 1 en 6) IW; onzakelijke lening bij debiteurenwisseling; in gebreke met betalen van aanslag vóór aflopen…

  • ECLI:NL:HR:2019:1178Hoge Raad, 12 juli 2019 (belastingrecht)

    Aansprakelijkheid. Art. 40, lid 6, IW 1990. Reikwijdte disculpatiemogelijkheid bij ontoereikend vermogen ten tijde van vervreemding.

  • ECLI:NL:PHR:2019:665Parket bij de Hoge Raad, 19 juni 2019 (belastingrecht)

    Is de aansprakelijkstelling van de voormalige aandeelhouder ter zake van vrijval van fiscale reserves in de verkochte dochtervennootschap prematuur en daardoor nietig? A-G IJzerman heeft heden…

  • ECLI:NL:GHARL:2024:2431Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 april 2024 (belastingrecht)

    IB/PVV. Navordering. Nieuw feit? Eigenwoningschuld. Aftrekbare kosten eigen woning.

  • ECLI:NL:GHARL:2021:3822Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 april 2021 (belastingrecht)

    Invordering. Aansprakelijkstelling aanmerkelijkbelanghouder. Disculpatie?

  • ECLI:NL:GHARL:2021:3823Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 april 2021 (belastingrecht)

    Invordering. Aansprakelijkstelling aanmerkelijkbelanghouder. Disculpatie?

  • ECLI:NL:GHARL:2021:3824Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 april 2021 (belastingrecht)

    Invordering. Aansprakelijkstelling aanmerkelijkbelanghouder. Disculpatie?

102 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.