Invorderingswet 1990

IW

Huidige tekst

Artikel 44 IW

Geldt sinds 1 januari 2003

  1. 1

    Indien op grond van artikel 2.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001 inkomensbestanddelen van een minderjarig kind zijn toegerekend aan de belastingschuldige, is dat kind aansprakelijk voor een gedeelte van de verschuldigde inkomstenbelasting. Dit gedeelte wordt gesteld op een evenredig gedeelte van de verschuldigde belasting, bepaald naar de verhouding waarin het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en derde lid, en 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001, de belastbare inkomsten uit eigen woning, het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang of het belastbare inkomen uit sparen en beleggen van dat kind dat bij de vaststelling van de belastingschuld in aanmerking is genomen, staat tot het inkomen uit werk en woning, het inkomen uit aanmerkelijk belang onderscheidenlijk het belastbare inkomen uit sparen en beleggen dat tot de belastingschuld heeft geleid.

  2. 2

    Indien op grond van artikel 2.17, tweede tot en met zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 belastbare inkomsten uit eigen woning, inkomen uit aanmerkelijk belang vóór vermindering met de persoonsgebonden aftrek of bestanddelen van de rendementsgrondslag van een derde geacht worden bij de belastingschuldige op te komen, te zijn opgekomen of tot zijn bezit te behoren dan wel te hebben behoord, is die derde aansprakelijk voor een gedeelte van de verschuldigde inkomstenbelasting. Dit gedeelte wordt gesteld op een evenredig gedeelte van de verschuldigde belasting, bepaald naar de verhouding waarin de belastbare inkomsten uit eigen woning, het inkomen uit aanmerkelijk belang of het belastbare inkomen uit sparen en beleggen van die derde dat bij de vaststelling van de belastingschuld in aanmerking is genomen, staat tot het inkomen uit werk en woning, het inkomen uit aanmerkelijk belang onderscheidenlijk het belastbare inkomen uit sparen en beleggen dat tot de belastingschuld heeft geleid.

  3. 3

    Artikel 2.16, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2025:357Parket bij de Hoge Raad, 21 maart 2025 (belastingrecht)

    art. 26a(2) AWR-belanghebbende; niet eerst bezwaar gemaakt; art. 6:13 Awb; versoepeling verwijtbaarheidstoets?

  • ECLI:NL:HR:1996:AA1813Hoge Raad, 1 mei 1996 (belastingrecht)

    -

  • ECLI:NL:PHR:1996:AA1813Parket bij de Hoge Raad, 1 mei 1996 (belastingrecht)

    -

  • ECLI:NL:RBNNE:2016:5294Rechtbank Noord-Nederland, 29 november 2016 (belastingrecht)

    26a, tweede lid, van de AWR. Eiser is niet bevoegd om beroep in te stellen tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de aanslag IB/PVV 2002, opgelegd aan de ex-echtgenote van eiser

  • ECLI:NL:RBSGR:2008:BD2530Rechtbank 's-Gravenhage, 21 april 2008 (belastingrecht)

    Aansprakelijkheid belastingschulden na ontbinding van de gemeenschap. Eiseres was niet reeds voor de ontbinding aansprakelijk voor de belastingschulden zodat afstand van de gemeenschap haar kan…

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.